Wie is gevangene GN0098?

Tijdens research voor een verhaal over de roofmoord op het echtpaar Hiddema in 1867 stuit ik op een enorm archief met een kleine tweeduizend mugshots van het Friese gevangeniswezen eind 19e, begin 20e eeuw. Ik blader door de foto’s, de ene na de andere lang geleden overleden boeventronie staart me aan. Meestal grimmig, soms vriendelijk glimlachend. Sommige foto’s zijn voorzien van een naam en datum, maar de meeste moeten genoegen nemen met een nummer.
Plotseling vGN0098Appingedamerschijnt GN0098 op mijn beeldscherm. Datum en naam ontbreken ook hier. Het enige wat bekend is, is dat ze in de vrouwengevangenis Appingedam haar straf uitzat. Waarvoor? Wat heeft deze jonge vrouw, een kind bijna nog, misdaan om haar dagen tussen de grauwe gevangenismuren te moeten slijten? Is ze er ooit nog uit gekomen en wat is er van haar geworden?
We zullen het waarschijnlijk nooit weten. GN0098 verdwijnt zonder naam in de geschiedenis. Waar ze met haar bijna serene blik aan dacht terwijl deze foto werd genomen, zullen we evenmin ooit weten. Maar dat GN0098 ruim een eeuw later nog door menig computerscherm zal turen, had zij dan weer nooit kunnen bevroeden.



De verdwenen Porsche van James Dean

porschejamesdean1 In 1960 verdween het wrak van een zeldzame Porsche tijdens transport uit een gesloten vrachtwagen, zonder dat het zegel was verbroken. Sindsdien is nooit meer wat vernomen van de verkreukelde zilverkleurige massa, die ooit de trots was van James Dean. Daarmee raakte het wrak, dat tussen Deans dodelijke ongeval in 1955 en de raadselachtige verdwijning in 1960 een spoor van mysterieuze incidenten had achtergelaten, langzaam maar zeker in de vergetelheid. Twee jaar gelden, ruim een halve eeuw later, doken geruchten op dat de Porsche van James Dean achter een dubbele wand verborgen is, ergens in het noordwesten van de Verenigde Staten. Waarom net nu? Is het toeval dat George Barris, de man die het wrak na de crash van Dean kocht en later in zijn boek ‘Cars of the Stars’ de mythe aanwakkerde, net rond diezelfde tijd overleed?

GEEN GELUKSGETAL
Eén ding is zeker: 55 was niet bepaald het geluksgetal van de Amerikaanse Hollywoodster James Dean. In 1955 liet hij het leven achter het stuur van zijn Porsche 550 Spyder met serienummer 0055. De ultieme filmheld uit de jaren vijftig zou nu 85 zijn geweest, maar hij stierf lang geleden, toen de meesten van ons nog geboren moesten worden. Veel had de kleine, maar charismatische Dean in elk geval niet nodig om wereldfaam te halen. Afgezien van een rij kleinere rollen in film en televisie is zijn serieus cv beperkt gebleven tot East of Eden, Rebel Without a Cause en Giant.
Bij Deans imago als ‘angry young man’ paste zijn passie voor snelle auto’s en motoren en hij was met grote regelmaat te vinden op de circuits van het Amerika van de jaren vijftig. Filmproducent Warner Brothers was daar niet gerust op (waar ze ironisch genoeg maar al te gelijk in zouden krijgen) en verbood Dean om te racen gedurende de opnameperiode van Giant. Des te meer zin had Dean in september 1955 om weer achter het stuur te kruipen.



VREEMD VOORGEVOEL
Op 21 september 1955 ruilde hij zijn Porsche Speedster in voor een 550 Spyder die hij ‘Little Bastard’ noemde, ook zijn eigen bijnaam. De Britse acteur Alec Guinness verklaarde later dat hij Dean twee dagen later voor een restaurant in Hollywood tegen het lijf liep. Dean liet hem zijn nieuwe Porsche zien en Guinness kreeg naar eigen zeggen een vreemd voorgevoel. “If you get in that car, you will be found dead in it by this time next week,” zei hij tegen Dean.
Waar of niet, feit is dat de vermeende profetie uitkwam. Op zondag 2 oktober zou Dean zijn eerste race met de nieuwe Porsche gaan rijden op Salinas, een circuit zo’n honderd kilometer ten zuiden van San Francisco. In het begin van de vrijdagmiddag ervoor reed Dean weg uit Los Angeles, met naast hem Porsche-fabrieksmonteur Rolf Wütherich. Eigenlijk zou hij zijn Porsche op een trailer naar het circuit rijden, maar Wütherich vond het verstandiger om de kilometers te gebruiken om de gloednieuwe bolide in te rijden voor de eerste race. De trailer reed er achteraan, getrokken door een nieuwe Ford Country Squire met achter het stuur Deans vriend en stuntman Bil Hickman en daarnaast de eveneens met Dean bevriende fotograaf Sanford H. Roth. Het gezelschap reed die vrijdagmiddag over de Route 99 naar het noorden, om vlak voor Bakersfield linksaf te slaan, de 166 op. Via de 33 kwamen ze op de Route 466, de Paso Robles Highway. Op de kruising van die wegen, bij Blackvells Corner, pauzeerden ze en dronken ze koffie met twee andere coureurs, die ook op weg waren naar Salinas. Toen ze hun weg vervolgden, had de 24-jarige Dean geen flauw idee dat hij geen half uur meer te leven had.

FRONTAAL
Dean had er zin in en gaf zijn nieuwe auto flink de sporen. Tegen kwart voor zes in deporschejamesdean2 avond naderde hij de splitsing met Route 41. Uit de tegenovergestelde richting kwam de 23-jarige student Donald Turnupseed in zijn zwart-witte Ford Tudor aangereden. Turnupseed sloeg linksaf richting Fresno en zag daarbij, door de in de avondschemering wegvallende zilveren kleur, de naar verluidt met 140 km/h aanstormende Porsche over het hoofd. De auto’s raakten elkaar vrijwel frontaal. De snelheid werd overigens later door de twee politiemannen die als eerste bij het ongeval kwamen in twijfel getrokken. Hoe dan ook, de vederlichte Porsche vloog door de lucht en kwam weer op de wielen terecht. Wütherich werd er uit geslingerd, Dean bleef met een voet klemmen tussen de pedalen. Beiden werden in één ambulance naar het ziekenhuis van Paso Robles gebracht, maar Dean was al dood toen ze er aankwamen.  Zijn laatste woorden van een van zijn laatste interviews (Take it easy driving. The life you might save, might be mine) zijn minstens zo profetisch als de herinneringen van Alec Guinness gebleken.

SCHRIKBEELD
Daarmee veranderde James Dean in één klap van een aanstormend talent in een legende. Maar ook begon hiermee een merkwaardige reeks verhalen rond Deans 550 Spyder, waarover wordt gefluisterd dat er een vloek op rustte. George Barris, een bekende autotuner uit Los Angeles, kocht het wrak voor 2.500 dollar. De motor was inmiddels verkocht aan een zekere Troy McHenry, die er een jaar later dodelijk mee verongelukte. De versnellingsbak werd hergebruikt door een andere amateurcoureur, William Eschrid, die er eveneens mee crashte, maar het overleefde. Het wrak zelf toerde een paar jaar door de VS, waar het bij allerlei manifestaties als schrikbeeld diende om mensen te waarschuwen voor roekeloos rijgedrag. Tijdens die tournee viel het wrak tweemaal van de trailer. Eenmaal brak een monteur hierdoor zijn been, de tweede keer viel het bovenop de vrachtwagenchauffeur, die het niet overleefde en zo het derde dodelijke slachtoffer werd van de Porsche 550 Spyder met serienummer 0055. In Sacramento gleed de Porsche van zijn podium, waarbij hij een kind verwondde. Een loods waar de Porsche stond gestald vloog in brand, maar de Spyder overleefde het inferno. Het is een track record waar Stephen Kings Christine nog wat van kan leren.

HERNIEUWDE FASCINATIE
Maar hoe betrouwbaar zijn al die verhalen? Dat er opnieuw raceongevallen gebeurden met de onderdelen, is niet zo verwonderlijk. Autosport kent risico’s. De incidenten tijdens transport zijn een halve eeuw later amper nog te verifiëren. Feit is dat een belangrijke bron van de mythes het boek ‘Cars of the Stars’ is, geschreven door, jawel, George Barris. Ten tijde van de verdwijning eigenaar van het wrak en die, aldus James Dean-kenner Warren Beath en Porsche-historicus Lee Raskin, een tanende belangstelling voor zijn griezelobject zag. Als er iemand de mysterieuze verdwijning uit een verzegelde vrachtwagen had kunnen regisseren, dan was het Barris. Het leverde hem in elk geval hernieuwde fascinatie voor de Porsche van James Dean op.

OVERLEDEN
Maar kwijt is kwijt en de 550 bleef kwijt. Brian Grams, een museumbaas uit Chicago, loofde in 2005, ter ere van Deans vijftigste sterfdag, samen met Barris een miljoen dollar uit voor degene die op de proppen zou komen met het wrak. Ze konden hun portefeuille gesloten houden. Tot twee jaar geleden Grams werd gebeld door een oude man, die beweerde als zesjarige jongen te hebben gezien hoe zijn vader het wrak achter een blinde muur in elife-poster-blueen gebouw in de staat Washington verstopte. De oude man herhaalde zijn verklaring aan de leugendetector en slaagde voor de test. Tot op heden houdt hij de exacte locatie geheim, in afwachting van een financiële overeenkomst.
Broodje aap? Feit is dat later dat jaar een film over Dean verschijnt, ‘Life’. Een publiciteitsstunt dan, die teruggevonden Porsche? Mogelijk. Feit is dat het wrak érgens moet zijn, al dan niet in 1960 verstopt door Barris. Feit is dat we hem niet meer aan de leugendetector kunnen hangen, want Barris is in 2015 op 89-jarige leeftijd overleden.

De terugkeer van een dode baron

keverberg_kessel_vanderdrift_01Het is 1876 in Kessel, een klein, idyllisch dorpje aan de linkeroever van de Maas, ergens halverwege Roermond en Venlo. Voorbijvarende schippers herkennen het meteen aan de pasgebouwde, door Pierre Cuypers ontworpen neogotische kerk en de oude burcht, die er schijnbaar vreedzaam naast ligt. Schijnbaar, want de kasteelheer en de pastoor leven op gespannen voet met elkaar, een vete die aan de basis ligt van een mysterie dat bijna anderhalve eeuw van generatie op generatie zal worden doorgegeven onder de dorpelingen.

AFTAKELING
Op woensdag 27 september ligt baron Frederik Hendrik Karel van Keverberg op sterven in zijn villa Oeverberg, een paar honderd meter stroomopwaarts van zijn kasteel. Ziekte en overmatig drankgebruik zetten na 51 jaar een resolute punt achter een bewogen, maar tragisch leven. In zijn laatste wilsbeschikking, die hij enkele dagen eerder heeft laten optekenen, staat te lezen dat baron Frits, zoals hij in het dorp wordt genoemd, zijn aftakeling wijdt aan zijn moeder, broer en dochter, die hem eerder de rug hebben toegekeerd. Wegens zijn onenigheid met de parochie heeft hij verder bepaald dat hij onder geen voorwaarde volgens religieuze riten begraven wil worden. In plaats daarvan stelt hij zijn lichaam ter beschikking van de universiteit van Leiden, waar hij ooit studeerde. Daar zitten ze echter niet te wachten op de dode baron en op het kerkhof begraven wordt hij evenmin. Wat er wel met zijn stoffelijk overschot gebeurt, weet niemand. Het lichaam verdwijnt spoorloos in die laatste dagen van september 1876.

VERBITTERD
Wie was baron Frits en wat maakte hem de eenzame, verbitterde man wiens lijk halverwege de negentiende eeuw in het niets verdween? Frederik Hendrik werd op 22 juli 1825 geboren in het Engelse Stonor als tweede kind van de Britse Mary Lodge en de Nederlandse baron Karel Lodewijk van Keverberg. Zijn vader was in die tijd een hoog aangeschreven politicus. Hij diende ten tijde van de Franse bezetting onder Napoleon, maar stapte daarna net zo gemakkelijk over naar Willem I, voor wie hij gouverneur van Oost- en Wesbaron_frits_keverberg_frankjacobs_w-206x300t-Vlaanderen was en later in de Raad van State zat. In 1841 stierf Karel Lodewijk en verhuisde zijn gezin naar kasteel Keverberg in Kessel. Frits studeerde rechten en uit die tijd stammen al zijn eerste conflicten met de machtige familie Van Wylick, die hij ervan beschuldigde grond van de familie Van Keverberg af te pikken. Niettemin wist baron Frits in 1851 tot de gemeenteraad toe te treden. Kort daarna verhuisden zijn moeder, broer en zus naar het naburige kasteel Aldenghoor in Haelen. Frits bleef alleen achter in Kessel, maar niet voor lang.



VRESELIJKE RUZIES
In 1857 trouwde hij met Louise de Villers de Pité en een jaar later kregen ze dochter Maria Mathilde, maar dat kon de huwelijkse vreugde niet redden. Naar verluidt was het kasteel in die dagen regelmatig het decor van vreselijke echtelijke ruzies en uiteindelijk pakte Louise haar koffers. Toen Mathilde zeven was, ontvoerde Louise’s moeder haar kleindochter uit het kasteel en begon voor het kind een periode waarin ze van internaat naar internaat trok. Ze zat zelfs een tijdje onder een valse naam in Düsseldorf, zodat ze aan haar vaders aandacht kon ontsnappen. In 1859 verloor baron Frits zijn raadszetel, iets wat hij niet zomaar over zijn kant liet gaan. Tijdens de eerstvolgende raadsvergadering kwam hij, half tien ’s morgens, dronken de raadszaal in, waar hij de nieuwe leden begon te schofferen. Korte tijd daarvoor kreeg hij het tijdens een potje kaarten in Den Haag aan de stok met een Pruisische prins. De ruzie liep zo hoog op dat alleen diplomatieke interventie kon voorkomen dat het in een duel op leven en dood eindigde.

OUDE TRADITIE
In 1869 was het de beurt aan pastoor Simons om Frits’ temperament aan den lijve te ervaren. Simons liet de oude kerk afbreken om plaats te maken voor een nieuw, groter godshuis. Voor het ontwerp tekende niemand minder dan Pierre Cuypers, die later ook het centraal station Amsterdam en het Rijksmuseum aan zijn cv toevoegde. De oude kerk stond een stukje op grond van het kasteel, waaraan de bewoners het recht ontleenden op een eigen nis naast het priesterkoor. De nieuwe kerk werd een paar meter opgeschoven, waardoor de overlap verdween. De pastoor zag daardoor geen noodzaak meer de oude traditie voort te zetten en bood Frits in plaats daarvan de voorste bank aan. De baron nam daar geen genoegen mee en de eerste paar zondagsmissen in de nieuwe kerk volgde hij buiten het gebouw, op de plek waar ooit zijn eigen nis stond.

BREUK
Toen de pastoor hem aansprak op zijn verzuim van katholieke plicht, antwoordde de baron dat hij zelf wel in het reine kon komen met Onze Lieve Heer, waarna hij nimmer meer een mis bezocht en zijn breuk met de kerk definitief was. Dit conflict was de oorzaak van Frits’ wens niet volgens religieuze riten begraven te worden en ligt daarom aan de basis van het mysterie van het verdwenen lijk van de laatste baron. Lag hij in de tuin van huis Oeverberg, de villa die Frits enkele jaren voor zijn dood had laten bouwen en waar hij overleden was? Was hij in de tuin van het kasteel begraven? Of toch in het familiegraf in het naburige Haelen? Dat laatste was onwaarschijnlijk. Frits lag ook met zijn broer en moeder overhoop. Naar verluidt had hij naast zijn sterfbed een geladen revolver klaarliggen om ze weg te jagen. Waar of niet, feit is dat hij in zijn testament liet vastleggen dat zijn huisknecht en meid een aanzienlijk bedrag erfden, mits ze de familie bij zijn sterfbed weg wisten te houden.

MYTHEVORMING
Zo ontstond een mysterie dat van generatie op generatie werd doorverteld in het dorp. Overigens niet helemaal terecht, want de schrijver Jacobus Craandijk maakt in zijn boek Wandelingen door Limburg uit 1880 gewag van een overwoekerd graf in de kasteeltuin, waar de laatste adellijke bewoner zou liggen. Die getuigenverklaring kon de mythevorming nooit tegenhouden, maar zorgt er wel voor dat op 25 juni 2015, wanneer tijdens graafwerkzaamheden een loden lijkkist wordt gevonden, meteen wordt gedacht aan de verdwenen baron Frederik.
Baron_Keverberg_FrankJacobsEen maand later wordt de kist door fysisch antropoloog Birgit Berk geopend. Ze onderzoekt de stoffelijke resten en concludeert dat het een man moet zijn geweest tussen de 44 en 53 jaar, 175 à 179 centimeter lang. Dat komt overeen met wat we van baron Frits weten. Vlekjes aan de binnenkant van de ribben duiden op een ernstige longaandoening, wellicht tuberculose, en ook dat past in wat we weten van Frits’ ziekbed. De loden binnenkist en de weinig versleten gewrichten (lees: weinig fysieke arbeid) duiden op rijkdom.

NONNENKERKHOF
Dat alles opgeteld maakt het zeer waarschijnlijk dat baron Frederik van Keverberg van Kessel na 139 jaar terecht is. Toch, helemaal zeker weten zullen we het waarschijnlijk nooit. We kunnen zijn DNA afnemen, maar met wie moeten we dat matchen? Dochter Mathilde was begraven op het nonnenkerkhof van Vaals, maar dat is in 1976 geruimd, waarna de beenderen van de zusters in een massagraf zijn gelegd. Alleen Frits’ zus Elfrida ligt in een keurig gemarkeerd graf in Roermond. Maar moeten we die dan opgraven? Een mysterie mag best een beetje mysterieus blijven.

Dit verhaal verscheen eerder in Quest Historie, nummer 4/2015.