Het Thule-incident: waterstofbom zoekgeraakt

Op 21 januari 1968 verliest de Amerikaanse luchtmacht bij Thule in Groenland een bommenwerper met vier waterstofbommen. Het toestel en zijn dodelijke lading worden geborgen, maar vele jaren later begint het er op te lijken dat er een H-bom op de boden van de oceaan is blijven liggen.

In de vroege jaren zestig van de vorige eeuw is de koude oorlog in volle gang. De Verenigde Staten en de Sovjet Unie houden elkaar nauwlettend in de gaten en machtsvertoon, angst en wantrouwen vormen een wankel evenwicht dat escalatie en totale wereldvernietiging soms amper weet te voorkomen. De gruwelen van ’s werelds eerste atoomaanvallen zijn nog lang niet vergeten, maar de bommen waarmee ze werden uitgevoerd zijn inmiddels niet veel meer dan rotjes vergeleken bij het nieuwe wapentuig. Al in 1952 detoneren de Amerikanen Ivy Mike, een experimentele waterstofbom. Met een kracht van 10,4 megaton TNT bijna driehonderd keer krachtiger dan Hiroshima en Nagasaki samen. Alles is relatief: negen jaar later ontsteken de Russen de lont van hun Tzar Bomba, die met 57 megaton TNT de Amerikaanse Ivy Mike weer voor schut zet.

Allemaal rommel die je liever niet op je dak krijgt wanneer je ’s nachts van gebraden kalkoen met rode wijnsaus ligt te dromen, dus wordt aan weerszijden op grote schaal de wacht gelopen. Zo hebben de Amerikanen Chrome Dome, een operatie die tussen 1960 en 1968 met B-52 Stratofortress bommenwerpers de grensgebieden tussen het westen en de Sovjet Unie in de gaten houdt. Elke B-52 heeft vier H-bommen aan boord, nakomelingen van de Ivy Mike, waarmee in het geval van Sovjet-agressie meteen de tegenaanval kan worden ingezet. Aanvankelijk zijn er permanent twaalf vliegtuigen in de lucht, in 1966 wordt dat aantal naar vier terug bezuinigd.

In 1961 worden operatie Chrome Dome uitgebreid met de Hard Head-missies, observatievluchten boven het noordoosten van Groenland. Daar bevindt zich vlakbij de Thule Air Force Base het Ballistic Missile Early Warning System (BMEWS), een radarinstallatie die binnenkomende Sovjet-raketten tijdig moet detecteren. Mocht de verbinding tussen de Amerikaans-Canadese luchtbewaking NORAD en het extreem afgelegen BMWES uitvallen, dan moet de bemanning van de B-52 vanuit de lucht beoordelen of de radar door de Russen is vernietigd, of dat er wellicht sprake is van een technische storing.

Op zondag 21 januari 1968 is een B-52G met zeven bemanningsleden van luchtmachtbasis Plattsburgh in het noorden van de staat New York op weg naar Thule. Boven Baffin Bay wordt de bommenwerper in de lucht bijgetankt door een Boeing KC-135 Stratotanker. Kort daarop zakt te temperatuur aan boord snel. De normale verwarming weigert dienst, dus zet een van de bemanningsleden een klep open die hete lucht uit een van de motoren de verwarming in leidt. Door een defect in een andere klep is die lucht veel warmer dan normaal, waardoor de temperatuur plotseling omhoog schiet. Nog voordat iemand in kan grijpen, heeft de hete lucht een paar kussens, die op een ventilatorrooster benedendeks liggen, vlam doen vatten. De bemanning ruikt het vuur, maar tegen de tijd dat ze de brandhaard hebben ontdekt, is het niet meer te blussen.



De B-52 nadert inmiddels luchtmachtbasis Thule en gezagvoerder John Haug vraagt aan de luchtverkeersleiding toestemming voor een noodlanding. Kort daarop valt de stroom uit en is de rookontwikkeling zo hevig dat het vliegtuig zelfs met stroom niet meer te besturen zou zijn geweest. Zodra ze boven land zijn, besluit de bemanning het toestel met de schietstoelen te verlaten. Dat is een morbide variant op stoelendans: er zijn zeven man aan boord, maar slechts zes schietstoelen. De zevende man, copiloot Svitlenko, probeert met alleen een parachute het brandende toestel te verlaten, maar raakt daarbij dodelijk gewond.

De andere zes halen de grond levend en worden in de uren die volgen, zwaar onderkoeld – het is ruim dertig graden onder nul – door reddingsteams opgespoord en in veiligheid gebracht op de luchtmachtbasis. Het onbemande toestel vliegt nog even door, maakt een bocht naar links en stort te pletter op het ijs van de North Star baai, ruim tien kilometer ten westen van Thule Air Force Base. Omdat het vliegtuig een uur eerder nog is bijgetankt, is de vuurzee enorm.

In die vuurzee bevinden zich vier waterstofbommen, type B28FI van 1,1 megaton elk, samen goed voor 125 keer Hiroshima en Nagasaki opgeteld. De conventionele springladingen (HE) die bedoeld zijn om de atoomsplitsing op gang te brengen die op zijn beurt de thermonucleaire fusie ontsteekt, detoneren onmiddellijk in het inferno en verspreiden het radioactieve materiaal over een enorm gebied, maar dankzij een beveiligingssysteem blijft de gevreesde kernfusie uit. De extreme hitte doet het ijs smelten, waardoor veel puin naar de zeebodem verdwijnt.

Het Thule-incident betekent een onmiddellijk einde voor operatie Chrome Dome. Twee jaar eerder al crashte een B-52 bij het Zuid-Spaanse Palomares. Ook daar kwam het niet tot een kernramp, maar de schrik zit er nu goed in. De Amerikanen en de Sovjets gaan om de tafel zitten om afspraken te maken elkaar onmiddellijk in te lichten bij dit soort incidenten, teneinde misverstanden over vermeende aanvallen te voorkomen. De conventionele springstof HE in kernwapens wordt vervangen door IHE, een stof die in geval van brand of een crash minder snel onbedoeld detoneert.

Ondertussen is de North Star Bay negen maanden lang het toneel van een grote zoek- en opruimactie van de Amerikanen en Denemarken, waar het gebied deel van uitmaakt. De operatie wordt omfloerst door geheimzinnigheid en pas vele jaren later, wanneer de geheimhouding verjaart, gaat een nieuwe beerput open. Denemarken had zichzelf al in 1957 tot atoomvrije zone verklaard. Wat moest die B-52 dan boven Groenland? De Amerikanen en Denen verklaren in 1968 dat de bommenwerper vanwege het brandincident noodgedwongen richting Deens grondgebied was uitgeweken, maar uit in 1990 vrijgekomen documenten blijkt onomstotelijk dat de nucleaire Hard Head-missies dagelijkse routine waren, ooit gestart met toestemming van de toenmalige Deense premier Hans Christian Hansen. Die kan niet meer ter verantwoording worden geroepen; hij overleed ruim voordat de B-52 bij Thule verongelukte.

Ook de mensen die meewerkten aan Project Crested Ice, de grote opruimactie, roeren zich. Een bovengemiddeld aantal van hen krijgt kanker en wijt dat aan blootstelling aan radioactieve straling tijdens de werkzaamheden in 1968 op die bevroren North Star Bay. Dat blijkt moeilijk te bewijzen; uiteindelijk weten 1.700 Denen een bescheiden vergoeding los te peuteren van hun regering.

Maar het meest verontrustende zijn de sinds 1987 af en toe terugkerende geruchten dat er nog steeds een waterstofbom kwijt is. De Amerikanen zeggen dat ze alle vier in het inferno zijn vernietigd, maar in 2008 komen nieuwe documenten vrij waaruit onderzoekers van de BBC menen te kunnen concluderen dat van slechts drie van de H-bommen de resten destijds zijn geborgen. Met die informatie gaan de Engelsen te rade bij een atoomwapenspecialist die bij de Thule-affaire betrokken was. “Het zal voor anderen erg moeilijk zijn geheim materiaal te bergen dat wij niet eens boven water kregen,” aldus deze ingewijde. Het is geen bekentenis, maar evenmin een duidelijke nee. Ligt er dan nog steeds een verloren waterstofbom, al dan niet in delen, op de bodem van de oceaan?

De ogen van Lion Schulman

Lion SchulanIn mijn woonkamer hangt een klein schilderijtje. Het is maar 16 bij 21 centimeter, geschilderd op een houten paneel en gevat in een krakkemikkige goudkleurige lijst. Een houten stal, enkele koeien, heide en aan de horizon een dorp. Het werkje kwam in oktober 2009 in mijn bezit. Mijn opa, een amateur-kunstschilder en -liefhebber, was overleden en na de uitvaart nam ieder familielid wat mee uit opa’s aanleunwoning in Eindhoven. Ik koos een paar van zijn schilderijen en het paneeltje met de stal. Ik wist meteen dat het niet opa’s eigen werk was. Daarvoor was het – ik durf dit alleen te schrijven omdat ik er van overtuigd ben dat ze in de hemel geen internet hebben – veel te goed.

Het schilderijtje sierde de daaropvolgende drie jaar de wand boven mijn piano en het fascineerde me met zijn mystiek. Wie had het gemaakt, waar en wanneer? Ik wist alleen dat mijn opa het grootste deel van zijn leven in Bussum had doorgebracht en daar bij tijd en wijle kunsthandelaren af struinde. Pas in 2012 ontcijferde ik de signatuur als ‘Schulman’ en zo kwam ik bij Galerie Wijdemeren in Breukeleveen, waar ze gespecialiseerd zijn in David Schulman. Daar wisten ze me te vertellen dat dit schilderij van Davids vader Lion is en waarschijnlijk in de jaren dertig in Het Gooi is gemaakt.



Welke plaats zien we daar aan de horizon, onwetend liggen zijn van het naderende onheil dat wij nu WO2 noemen? Hilversum? Bussum? Laren? We zullen het waarschijnlijk nooit weten, maar zeker is dat de oude man ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw op een mooie zomerdag met zijn ezel op de hei in Het Gooi zat, genietend van de natuur en de warmte, en dit pareltje maakte, niet wetend dat hij enkele jaren later door de Duitsers naar Auschwitz zou worden gedeporteerd. Wat zou ik er voor over hebben om naast hem op te duiken om hem te waarschuwen: pak je spullen en vlucht naar Engeland! Alsof hij mij serieus zou hebben genomen..

Lion Schulman heeft Auschwitz niet overleefd, maar het schilderijtje dat hij op die mooie zomerdag maakte, ging van Bussum via Breda, Eindhoven en Almere naar Katwijk aan Zee en siert daar nu mijn huis. Soms kijk ik er naar en dan realiseer ik me dat ik door de ogen kijk van een uiterst getalenteerd man die op 19 februari 1943 door de nazi’s werd vermoord. Dan hoop ik dat Lion een beetje met me mee kijkt en fluistert: verrek man, ik had naar je moeten luisteren die dag.

De Hatfield-McCoy-vete: burenruzie werd bloedige oorlog

In het Amerika van de 19e eeuw nam menigeen het recht in eigen handen, soms zelfs door de rechterlijke macht naar eigen hand te zetten. Deze halfslachtige anarchie had talloze, vaak lang slepende conflicten tot gevolg. De kwestie Hatfield-McCoy groeide uit tot een legende binnen de Amerikaanse geschiedenis.
Asa Harmon McCoy

Het is 7 januari 1865 in Pike County, Kentucky. De Amerikaanse burgeroorlog loopt tegen het einde en de 37-jarige soldaat Asa Harman McCoy is na lange tijd weer thuis. Bijna anderhalf jaar vocht hij aan de kant van de Union, de noordelijke staten, en dat is bijzonder omdat de meeste mensen uit zijn omgeving voor de Confederates, de zuidelijke staten, zijn. Dertien dagen geleden is hij afgemonsterd en Harman prijst zich gelukkig. Hij raakte gewond en krijgsgevangen, maar de burgeroorlog heeft zijn leven gespaard en hij kan weer verder in de rust en veiligheid van vrouw en kinderen.

Maar zijn euforie blijkt te voorbarig. Harman door vier geconfedereerde guerilla’s in een hinderlaag gelokt en vermoord. Zijn strijd voor de tegenpartij wordt als verraad gezien en als zodanig bestraft.

De moord blijkt de lont in een al langer bestaand kruitvat. De McCoys wijzen naar James Vence als degene die de trekker overhaalde en dat is de oom van William Anderson Hatfield, bijgenaamd Devil Anse en hoofd van de Hatfield familie uit het aangrenzende West Virginia, waarmee de McCoys al langere tijd op gespannen voet leven. Devil Anse staat bekend als een gemene, gewetenloze klootzak en heeft twee jaar eerder de aanvoerder van een noordelijke legereenheid, die een vriend van hem zou hebben verwond, laten vermoorden.

Randolph McCoy

De Hatfields zijn dankzij de houtzagerijen van familiehoofd Anse redelijk gefortuneerd en hebben daardoor politieke invloed. De oorspronkelijk uit Ierland en Schotland afkomstige McCoys, onder leiding van Randolph McCoy, bijnaam Ole Ran’l, hebben het met hun boerenbedrijven in Kentucky wat minder breed.

De aantijgingen aan het adres van James Vence worden nooit bewezen, maar de spanning tussen beide families is nog verder opgelopen en de Big Sandy River, de stroom die de leefgebieden van de Hatfields en de McCoys van elkaar scheidt, is een soort IJzeren Gordijn avant la lettre.

Dertien jaar lang blijft de Hatfield-McCoy Feut een koude oorlog, maar in 1878 barst de bom. Randolph McCoy beschuldigt Floyd Hatfield, een neef van Devil Anse, van diefstal van een varken. De zaak komt voor de rechter, maar dat is een lid van de Hatfield-familie en hij beslist dan ook ten gunste van de Hatfields. De woede bij de McCoys is zo groot dat twee broers, Sam en Paris McCoy, de getuige die de doorslaggevende verklaring aflegde, vermoorden.

Roseanna McCoy

Of het allemaal nog niet gecompliceerd genoeg is, begint Anse’s zoon Johnse een relatie met Roseanna, dochter van Randolph McCoy. Deze romance tussen kinderen van beide familiehoofden zou een verzoenend effect gehad kunnen hebben op de vete, maar het pakt precies tegengesteld uit. Roseanna McCoy trekt in bij de Hatfields, maar de relatie verloopt moeizaam en ze keert al gauw met hangende pootjes terug naar haar ouderlijke huis. Wanneer Johnse pogingen onderneemt de inmiddels zwangere Roseanna weer voor zich te winnen, regelen de McCoys dat hij in Kentucky wordt gearresteerd op verdenking van dranksmokkel.

Johnse Hatfield

Roseanna vlucht naar Anse Hatfield om hem te waarschuwen en de Hatfields ondernemen daarop een geslaagde bevrijdingspoging. Johnse is terug in West Virginia dankzij Roseanna, die haar eigen familie voor hem verraadde. Veel dankbaarheid hoeft ze niet te verwachten: Johnse knoopt een relatie aan met Roseanna’s nicht Nancy McCoy en trouwt in 1881 met haar.

Een jaar later slaat de vlam opnieuw in de pan. Drie broers van Roseanna McCoy raken slaags met twee broers van Anse Hatfield. Er komen messen en pistolen aan te pas en Ellison Hatfield wordt levensgevaarlijk gewond. De drie McCoy-broers worden gearresteerd en op transport gezet om te worden berecht, maar Anse weet het transport te onderscheppen en kidnapt de gevangenen. Wanneer Ellison aan zijn verwondingen bezwijkt, laat Anse de drie broers executeren.



Anse en zijn handlangers worden aangeklaagd, maar weten onder arrestatie uit te komen. Woedend nemen de McCoys een advocaat in de arm, maar die kan weinig uitrichten. In de jaren die volgen vinden enkele incidenten plaats, maar de absolute escalatie van het conflict gebeurt in de vroege ochtend van nieuwjaar 1888. Een van de Hatfields, Cap, trommelt samen met James Vance, de man die de eerste moord in deze vete zou hebben gepleegd, een legertje mannen op. Ze omsingelen het huis van de McCoys met als doel Randolph te pakken te krijgen. Ze doorzeven het huis met kogels, waarbij twee dochters het leven laten. Daarna steken de Hatfields de woning in brand, maar Randolph weet met de overgebleven kinderen te ontsnappen. Zijn vrouw valt wel in handen van de vijand en wordt zwaar mishandeld.

Voor zowel West Virginia als Kentucky, die de jarenlang slepende, bloedige vete met lede ogen hebben aangezien, is de maat nu vol. Deputy sheriff Frank Phillips uit Kentucky (dus aan de kant van McCoy) jaagt met hulp van een troep mannen de bende van Hatfield op en weet James Vance te doden en enkele Hatfields gevangen te nemen. De rest treft hij op 19 januari aan bij Grapevine Creek, waar zich een ware veldslag tussen de mannen van Phillips en de Hatfield-bende. Twee Hatfield en een sympathisant worden gedood voordat de rest kan worden ingerekend.

Executie van Ellison Mount

Acht Hatfields en Hatfield-gezinden moeten voor de rechter verschijnen en worden aangeklaagd voor een hele reeks misdrijven, waarvan de meest zwaarwegende de executie van de drie McCoy-broers en de moord op Randolph McCoy’s dochters tijdens het nieuwjaarsbloedbad zijn. Zeven mannen krijgen levenslang. Ellison “Cottontop” Mount, van wie bewezen wordt dat hij de kogel afvuurde die McCoy’s dochter Alifair doodde, krijgt de strop.



De spraakmakende rechtszaak krijgt voor elkaar wat een kwart eeuw moorden en geweld niet wist te bereiken. De Hatfield en de McCoys zijn het vechten zat en begraven de strijdbijl. Maar vergeten is de vete nooit. Tot op de dag van vandaag maakt de legendarische ‘Hatfield-McCoy Feud’ een belangrijk deel uit van de Amerikaanse 19e eeuwse geschiedenis.

Familieportret van de Hatfieldjes

En, voor zover ze de vete overleefden, de hoofdrolspelers? Randolph McCoy sterft in 1914 op 88-jarige leeftijd door een keukenbrand. Devil Anse delft in 1921 het onderspit tegen een longontsteking, hij is dan 81. Roseanna McCoy tenslotte wordt nooit misses Hatfield. Ze bevalt van Johnse’s onwettige kind, dat zes maanden oud overlijdt aan de mazelen. Zelf bezwijkt Roseanna in 1889, pas 29 jaar oud, aan een onbekende ziekte.

Dodenvlucht Neptune 212 wellicht diefstal

Eerder dit jaar schreef ik voor Quest Historie een artikel over de bijna-ramp in 1965 met een Lockheed Neptune van de Marine Luchtvaartdienst. Twee jonge vliegtuigmonteurs kaapten het vliegtuig en vlogen een wisse dood tegemoet, een groot waarom achterlatend. Onlangs sprak ik een nieuwe getuige die daar een antwoord op denkt te hebben.

Twee jonge kerels zonder vliegervaring stappen in een groot, viermotorig toestel en starten het. Tien minuten later liggen ze dood op de bodem van de Noordzee. Wat er is gebeurd, is al gauw duidelijk. Maar waarom? Wat bezielde deze mannen? Volgens de marineleiding hadden ze gedronken, maar getuigen die ik sprak, bestrijden dat. En dan nog: hoe dronken moet je zijn om te denken dat je ‘wel even’ wegvliegt met zo’n toestel?

Frans Bolk
Huib van Oostende

Onlangs sprak ik een nieuwe getuige die denkt een antwoord te weten op de vraag waarom. Harry Lentjes (71) werkte destijds als elektromonteur/instrumentmaker op Vliegkamp Valkenburg en stond er met zijn neus op. Hij zegt destijds zwijgplicht opgelegd te hebben gekregen, maar is nu toch bereid die te doorbreken. “Ik kende Frans Bolk en Huib van Oostende (de monteurs die het vliegtuig die avond kaapten, red.) heel goed. Die avond zat ik met ze in de kantine te kaarten. Ze hadden beiden weekendverlof en hun weekendtassen al bij zich. Dat is al vreemd, want het was bijna elf uur en daarna mocht je de poort niet meer uit. Maar we wisten allemaal genoeg andere manieren om toch nog buiten te komen, dus nam ik aan dat ze zoiets van plan waren.” De officiële lezing dat de mannen gedronken hadden, wordt ook door Lentjes ten stelligste ontkend. Hij verliet samen met Bolk en Van Oostende de kantine om naar de slaapbarak te lopen.



Lentjes had wacht bij de hoofdpoort van middernacht tot vier. Hij kwam daar net aan toen hij het toestel over zag komen. Kort daarop begon het gonzen van de geruchten al. Toen Lentjes hoorde dat het twee monteurs zouden zijn die in de Neptune waren gestapt, zei hij meteen ‘dat moeten Balk en Van Oostende zijn’.
“De volgende ochtend stapte ik voor verlof op de trein naar Nijmegen, waar ik destijds woonde. Tot mijn verbazing stond de marechaussee me op te wachten. Nog voor ik goed en wel iets tegen mijn ouders en vriendin kon zeggen, werd ik in een busje afgevoerd, terug naar het vliegkamp. Daar werd ik meteen verhoord door commandant Moekedano, in aanwezigheid van een officier en een onderofficier. Ik kreeg te horen dat de kastjes van Bolk en Van Oostende waren opengebroken en dat daarin de handboeken van de Lockheed Neptune waren aangetroffen. Ze verboden mij om over de kwestie te spreken.” Lentjes verbaast zich er al zijn halve leven over dat het detail van die handboeken wordt verzwegen in het onderzoeksrapport. “Dat duidt op opzet.”

Wat ook niet klopt aan de officiële lezing is dat het betroffen toestel, de Neptune 212, standby stond voor reddingsmissies (OSRD), zegt Lentjes: “Zo’n toestel heeft altijd een grote opblaasboot in het bommenruim. Die heeft er bij de 212 nooit ingezeten.” Wat de 212 nou juist weer wel had, als enige van de twaalf Neptunes die destijds op Valkenburg waren gestationeerd, was een gloednieuw radarsysteem, weet Lentjes: “Dat was er daags tevoren in Woensdrecht in gebouwd.”

Lentjes denkt daarom dat Bolk en Van Oostende het vliegtuig stalen om het te verkopen aan Libië. Waarom juist aan dat land? “Een jaar eerder had een andere monteur, Theo van Eijck, op Malta een Grumman S-2 Tracker gekaapt om er mee naar Libië te vliegen. Sindsdien werd er bij ons op het vliegkamp wel eens gegrapt ‘wat zouden ze voor een Neptune over hebben?’ Die gloednieuwe radar maakte de 212 extra waardevol.”

Dat doet niets af aan het feit dat beide monteurs geen vliegervaring hadden en hun vlucht dus gedoemd was te mislukken. Lentjes is daar niet zo zeker van: “Ze wisten veel van vliegtuigen en Bolk had een paar vlieglessen gehad. Een Neptune kon je op de automatische piloot bijna aan de grond zetten.”

Toch ging het vrijwel meteen mis. Lentjes: “Dat kwam doordat ze veel te overhaast te werk gingen. De kunstmatige horizon van een Neptune had acht tot negen minuten nodig voordat hij fatsoenlijk werkte en zonder dat instrument ben je in het donker nergens.” En er ging nog iets mis aan boord, weet Lentjes: “In de cockpit zat een schakelaar om de oliedruk van de besturing in te schakelen. Ik was erbij toe het instrumentenpaneel boven water werd gehaald en zag dat de rode veiligheidsklep er nog overheen zat. Verder namen ze de korte baan en daarom moesten ze ook de straalmotoren gebruiken (een Neptune had twee extra straalmotoren naast de normale propellers, red.), terwijl een Neptune normaal alleen op de zuigermotoren opsteeg.”



Volgens Lentjes werd er niet alleen veel verzwegen door de marine, maar stonden er ook pertinente onjuistheden in het eindrapport. “Er wordt gesproken over twee schildwachten op het platform, maar dat was er maar een. De tweede stond bij het brandstofdepot en dat is een heel eind verder. Bovendien zou de wacht opdracht hebben gekregen met zijn bajonet een band lek te steken, maar zo houd je een Neptune echt niet tegen. En dat de schildwacht naar de wachtcommandant liep is onmogelijk. Er was geen wachtcommandant in de buurt van de vliegtuigen, alleen bij de hoofdpoort, een kilometer of drie verderop.” Overigens heb ik voor mijn eerdere verhaal met de schildwacht gesproken en die vertelde mij het verhaal zoals ik het eerder beschreef.

Wat Lentjes tenslotte verbaast is dat de weekendtassen van zowel Bolk als Van Oostende nooit gevonden zijn, officieel tenminste: “Alles wat van het vliegtuig boven water werd gehaald werd in de hangar uitgestald, maar die twee tassen heb ik er nooit bij gezien.”

Dus toch een poging het vliegtuig te stelen, zoals in mijn vorige artikel al werd gesuggereerd door een andere getuige? Het klinkt ongeloofwaardig, maar dat ze niet dronken waren is zeker en hoe geloofwaardig is het dat twee jonge, gezonde kerels samen zelfmoord plegen?

Lees hier het eerdere artikel over deze vliegramp.

Van kaartspel tot diplomatieke rel: de affaire Von Königsmarck

In 1856 loopt een onschuldige potje kaarten van een groepje heren van stand volledig uit de hand. De slepende vete die er op volgt dreigt zelfs de diplomatieke betrekkingen tussen de Nederlanden en Pruisen te doen wankelen. Wie waren de Limburgse baron en de Pruisische graaf om zo’n rel te veroorzaken met hun haantjesgedrag?

kessel van der drift nostalgium keverbergHet begon allemaal op een dinsdagavond in maart 1856. De 30-jarige Limburgse baron Frederik van Keverberg van Kessel, voor vrienden Frits, was op bezoek bij zijn vriend jonkheer Theodoor Boreel in ’s-Gravenhage, waar een groepje aristocraten bijeen was voor een avondje kaartspelen. De baron speelde mee en stond na enkele ronden aardig op winst, toen hij graaf Adolf, de 26-jarige neef van de Pruisische gezant in Nederland die naast hem zat, twee kaarten onder het tafelkleed uit zag halen. Hij deed het met grote behendigheid, maar niet snel genoeg om Frits te misleiden.
Frits stond op, gooide zijn kaarten met een theatraal gebaar op tafel, wees op zijn buurman, wachtte tot hij de onverdeelde aandacht van het gezelschap had en sprak toen langzaam, maar indringend: ‘U speelt vals, waarde graaf!’

Graaf Adolf reageerde verbijsterd, maar kon niet uitleggen waar de twee kaarten die hij plotseling in zijn bezit had vandaan kwamen. Theodoor, die als gastheer de dreigende ruzie de kop in wilde drukken, gelukte het evenmin om terugrekenend de plotseling opgedoken kaarten binnen de regels van het spel te verklaren.
Von Königsmarck kwam nu ook uit zijn stoel omhoog. Het was een grote man, maar niet zo rijzig als Frits. Zijn gitzwarte snor en puntsikje waren zorgvuldig gemodelleerd. Hij blies de rook van zijn sigaar in de richting van Frits, die hem stoïcijns aan stond te kijken.
‘U beschuldigt mij, baron? Heeft u enig idee tegen wie u het heeft?’
Frits glimlachte minzaam. ‘Jazeker. Ik richt mijn terechte aantijging tot een neefje van een Pruisische diplomaat. Niemand minder, en vooral: niemand meer.’
Adolf, die in zijn eigen land gewend was met het grootste respect te worden bejegend, wist niet wat hem overkwam. Een baron uit een Limburgs dorp die hem zo aansprak. Zijn gezicht werd een paar tinten roder. ‘Ik eis excuses. Baron.’ Hij benadrukte het woord baron, alsof het een vernedering was.

Voordat Frits kon antwoorden, kwam Theodoor tussenbeide. ‘Heren, respecteert u alstublieft de regels van mijn gastvrijheid. Ik tolereer aantijgingen noch beledigingen onder mijn dak.’
Beide kemphanen zwegen, maar ze lieten elkaars blikken niet los. De overige aanwezigen keken geïrriteerd toe, nu hun spel onderbroken was.
‘Geeft elkander de hand, slechts dan zal ik het spel doen hervatten.’
Frits stak zijn hand uit. Adolf vreesde de woede van de rest, aangezien hij op zijn minst de schijn tegen had, en schudde de hand van baron Frits, met onverhulde tegenzin. Het spel werd opnieuw gestart, Von Königsmarck speelde niet meer vals (of wist dat nu beter te verbergen) en verloor een aanzienlijk bedrag aan de baron, wat hem des te meer irriteerde gezien het voorval eerder die avond. Hij had een belediging van de Limburgse dorpsbaron geïncasseerd, daarvoor niet eens excuses gekregen en kon de stille spot daarover van de overige aanwezigen bijna ruiken.
Toen baron Frits de volgende dag zijn geld in ontvangst nam en de graaf daarvoor een kwitantie gaf, ging hij er vanuit nooit meer wat van de Pruisische graaf te vernemen. Maar daar had hij zich in vergist, bleek al gauw.
(het verhaal gaat door onder de advertentie)




Enkele dagen na zijn terugkeer op zijn kasteel in het Noord-Limburgse Kessel kreeg Frits post uit ’s-Gravenhage, gestempeld op de Pruisische gezantschap. De brief was kort en bondig. Graaf Adolf Hans Joseph von Königsmarck, luitenant der kurassiers en militair attaché, waren geruchten ter ore gekomen over de vernedering die hij zou hebben moeten ondergaan tijdens de avond ten huize van jonkheer Boreel. Deze kwaadspraak noopte hem er toe baron Frederik van Keverberg van Kessel uit te dagen tot een duel.
Frits was geschokt over deze onbesuisde reactie en deed melding bij de bevoegde macht in ’s-Gravenhage. Begin april leidde dit tot een verzoeningsbijeenkomst, waarin onder druk van twaalf hooggeplaatste getuigen Frits en Adolf elkaar opnieuw de hand reikten. Er werd een document opgesteld waarin de kwestie gesloten en onherroepelijk werd verklaard. Beide opponenten moesten plechtig beloven nooit meer op deze zaak terug te komen.

Maar opnieuw werden eerdere afspraken geschonden. In oktober van dat jaar keerde Von Königsmarck terug naar zijn regiment in Brandenburg. Daar rapporteerde hij het voorval aan zijn medeofficieren, die hem op niet mis te verstane wijze te kennen gaven dat ze vonden dat de graaf zich door die Nederlanders af had laten poeieren, waarmee hij niet alleen zichzelf, maar ook het hele Pruisische rijk te schande had gemaakt. De regimentscommandant beval Von Königsmarck om alsnog van Van Keverberg te eisen dat hij zijn aantijgingen over vals spel schriftelijk in zou trekken.

De Pruisische graaf deed wat hem was opgedragen en eiste rectificatie. Baron Frits weigerde, omdat het in strijd zou zijn met de eerder getekende verklaring, waardoor de eer van de getuigen die deze hadden ondertekend aangetast zou worden. De Haagse gezant van Pruisen, Adolfs oom Hans, verzocht daarop baron Frits om een gesprek aan te gaan. Frits ging akkoord en het treffen vond in november 1856 plaats in een hotel in Düsseldorf. Hans von Königsmarck overhandigde Frits een concept verklaring, waarin stond dat Frits nooit de intentie had gehad de graaf te beledigen en dat het hem ten zeerste speet dat zijn woorden die avond als zodanig waren uitgelegd. Frits weigerde aanvankelijk te tekenen, maar de Pruisische gezant wist hem toch te overtuigen door de zeggen dat Frederik, prins der Nederlanden, het concept had gezien en te kennen had gegeven dat het hem zeer behagen zou wanneer hiermee deze ongemakkelijke, voor de diplomatieke betrekkingen mogelijk schadelijke kwestie kon worden opgelost. Bovendien zegde Von Königsmarck toe dat de verklaring uitsluitend aan de commandant in Brandenburg en Adolfs vader getoond zou worden. Baron Frits besloot daarom eieren voor zijn geld te kiezen en ondertekende de verklaring.

Ook ditmaal bleek de laag zand erover niet bestand tegen de opgestoken storm. In de eerste dagen van 1857 kwam Frits ter ore dat zijn verklaring ook aan Adolfs medeofficieren was getoond. Bovendien bleek dat prins Frederik der Nederlanden het concept, anders dan de Pruisische gezant had beweerd, nimmer had gezien.
Baron Frits voelde zich te grazen genomen en nu was hij degene die op wraak zon. Hij schreef een pamflet waarin hij de schimmige gang van zaken in de openbaarheid bracht. Het schrift werd verspreid vanuit Place Royal, de sociëteit bij de Gevangenenpoort, waar Frits’ Haagse vriendenkring in die dagen vaak te vinden was. Het pamflet bereikte de minister van buitenlandse zaken Daniël Gevers van Endegeest, die de gang van zaken hekelde en zijn beklag deed bij zijn collega van justitie, Justinus van der Brugghen. Tegelijkertijd ergerde gezant Hans von Königsmarck zich mateloos aan de schande die hem in Den Haag ten deel viel door het conflict waar zijn neef in verzand was. In de wandelgangen deden verhalen de ronde dat er Nederlanders waren die de Pruisische gezant kwaad wilden doen en de ruiten van zijn residentie wilden ingooien.

Op 23 maart 1857 ontving baron Frits een tweede uitdaging van graaf Adolf van Königsmarck, ditmaal nam Frits de handschoen op. Het duel op pistool zou vijf dagen later plaatsvinden in Hannover. Beiden zouden op zaterdag 28 maart met hun secondanten afreizen naar Hannover, slechts een van beiden zou die plaats levend verlaten. De graaf toog de bewuste dag met zijn secondanten naar de afgesproken plek, maar dat bleek tevergeefs. Baron Van Keverberg liet per brief weten verhinderd te zijn, maar stelde een nieuwe datum en plaats voor.



Ondertussen liepen in ’s-Gravenhage de spanningen steeds verder op. Gezant von Königsmarck werd op straat bekogeld door aanhangers van baron Frits en zijn vrouw was door hen uitgescholden, waarna Hans een officiële klacht indiende en zijn regering in Berlijn inlichtte over Frits’ lasterlijke pamflet. De Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV nam de kwestie hoog op; zijn hoogste vertegenwoordiger in het koninkrijk der Nederlanden was publiekelijk te kakken gezet. Hij drong via zijn eerste minister aan op een rechtszaak, maar de Nederlandse minister Gevers van Endegeest was bang dat zo’n proces het aanzien van Von Königsmarck alleen maar verder zou schaden. Terwijl een potje kaarten uitliep in een diplomatieke rel op koninklijk niveau, genoot de recalcitrante baron Frits in zijn kasteel van de orkaan die zijn scheet had veroorzaakt.
Uiteindelijk zag de Nederlandse regering geen andere weg meer dan Van Keverberg te dagvaarden, maar het diplomatieke gesteggel bleek langer te hebben geduurd dan de verjaringstermijn voor een dergelijke kwestie, zodat baron Frits door de bel werd gered. Een diplomatieke bom van formaat was uitgegaan als een nachtkaars.

Maar niet voor graaf Von Königsmarck, wiens rancune onblusbaar leek. Nadat hem duidelijk was dat hij nooit zou duelleren met baron Van Keverberg, richtte hij zijn pijlen op vrienden van Frits. Een daarvan werd later tot een duel uitgedaagd en Jonkheer Theodoor Boreel, in wiens huis de ruzie ooit begon, werd aan boord van een schip in Rotterdam door Adolf afgetuigd, met de bedoeling zo een duel uit te lokken. Boreel liet zijn aanstaande reis naar Nederlands-Indië niet verpesten door de rancuneuze graaf en stak van wal.

En baron Frits, de man die aan de oorsprong van de rel stond? Het is niet bekend of hij ooit nog wat van graaf Adolf von Königsmarck hoorde. Wel weten we dat de baron op een avond, omtrent 1874, zittend aan zijn bureau van buiten werd beschoten. De aanslag mislukte en de dader is nooit opgespoord, maar het is niet ondenkbaar dat het de kogel was die de Pruisische graaf vijftien jaar eerder op Frits af had willen vuren.

Meer weten over baron Frederik van Keverberg van Kessel? Lees hier over het mysterie van zijn verdwenen lichaam. Ook is er een roman in de maak waarin de affaire Von Königsmarck en baron Frits een rol spelen. Lees hier de synopsis.

Het vergeten moordkoppel

In de lente van 1803 staat een echtpaar uit Katwijk terecht voor een reeks gruwelijke misdaden. Aanvankelijk ontkennen ze alles, maar al gauw beginnen Johannis Knötz en Maartje Haasbroek naar elkaar te wijzen en blijken ze meer op hun kerfstok te hebben dan de rechtbank voor mogelijk had gehouden. Hoe een jong, pasgetrouwd stel het moordkoppel van het 19e eeuwse Katwijk werd.

Nostalgium Frank JacobsDonderdagavond 16 maart 1798 wordt in een sloot naast de Noordwijksche Weg bij Katwijk aan den Rijn het lichaam van een door geweld om het leven gebrachte man gevonden. Lijkschouwing wijst uit dat hij zeven zware verwondingen heeft die hem fataal zijn geworden. Korte tijd later wordt een stuk verderop een mand met schoenen gevonden en wordt duidelijk dat het slachtoffer de uit Loon op Zand afkomstige Cornelis Verster is, een rondreizende schoenenhandelaar.

De moord blijft vijf jaar onopgelost, maar wordt opnieuw opgerakeld wanneer in februari 1803 de Katwijker Johannes de Wolff wordt vermist. De Wolff is in de kost bij een familie sinds hij en zijn vrouw in onmin zijn geraakt. De avond van zijn verdwijning, 20 februari, had hij tegen zijn gastheer gezegd: “Ik ga naar Jan Knies.” Dat is de vernederlandste naam van Johannis Knötz, een oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige kleermaker, die in 1797 is getrouwd met Maartje Haasbroek en sindsdien met haar in Katwijk aan den Rijn woont, in een van de vermiste Johannes de Wolff gehuurd huisje. Die woning wordt na de verklaring doorzocht, maar er wordt, op twee zakjes geld onder het bedstro na, niets verdachts gevonden.

Er wordt een beloning uitgeloofd voor wie De Wolff opspoort, levend of dood. Die prijs gaat uiteindelijk naar een voerman uit Katwijk aan Zee, die op 14 mei, tijdens het maaien van gras voor zijn paarden, het de slip van een jas bloot legt. Hij blijkt het ingegraven lichaam van De Wolff te hebben gevonden. Het is na drie maanden flink ontbonden en kan alleen nog aan de kleding worden geïdentificeerd. Zijn hals is doorgesneden en zijn hoofd zit nog aan het lichaam vast met een stuk ‘omtrent vier vingeren breedte’.

Bij de lijkschouwing is ook Knötz aanwezig en deze kan zijn ontsteltenis bij het aanzien van het lijk niet verhullen. De baljuw laat daarop Knötz en zijn vrouw Maartje door de rechtbank verhoren. Beiden verklaren dat De Wolff weliswaar bij ze aan de deur is geweest, maar dat hij die avond niet binnen is gekomen. Op zich reden om geen verdere rechtsvervolging in te stellen, maar Maartje Haasbroek zat eerder dat jaar al eens vast op verdenking van diefstal van een schaar met zilveren ketting. Toen ze vanuit de gevangenis een rok naar haar man wilde sturen, omdat die vuil zou zijn, werd in de zoom daarvan een aantal geldstukken aangetroffen. Maartje verklaarde dat ze het geld van haar man had gekregen, zonder te weten hoe hij er aan was gekomen.

Om die reden blijft het echtpaar Knötz verdacht en Jan verdwijnt achter de tralies. Opnieuw wordt het huisje doorzocht en ditmaal met succes; in de aardappelkelder treft de Vierschaar (lokaal gerechtelijk bestuur) een losse steen aan, met daar onder, gewikkeld in een kous, de zilveren gespen en horloge van de vermoorde Johannes de Wolff. Hiermee geconfronteerd zegt Knötz de spullen als van De Wolff te herkennen, maar dat hij geen idee heeft hoe ze in zijn huis zijn geraakt. Wel vertelt hij zijn verhoorders dat zijn vrouw misdadig is en zich met leugens ophoudt.



Maartje begint ondertussen ook los te komen. Ze verklaart dat haar echtgenoot De Wolff op zondagavond in hun keuken heeft vermoord. Een ruzie over geld zou de aanleiding zijn geweest. Tijdens de daad had Maartje zich met hun vier kleine kinderen in de slaapkamer teruggetrokken. Knötz had het bloed opgeruimd en haar doen beloven er nooit over te spreken. Nu ze eenmaal op haar praatstoel zit, is Maartje niet meer te remmen. Ze beschuldigt haar man van diverse diefstallen en schuift hem de vijf jaar oude, onopgeloste moord op de handelsreiziger Cornelis Verster in de schoenen. Op donderdagavond 16 maart 1798 had ze van de man een paar muiltjes gekocht. Toen ze in een andere ruimte naar geld zocht om hem te betalen, had haar man toegeslagen, het lijk in het varkenshok gelegd om het de volgende ochtend met een karretje te laten verdwijnen.

Jan Knötz wordt met de belastende verklaring geconfronteerd, ditmaal door twee Lutherse predikanten uit Leiden. Een beroep doen op Knötz’ religieuze geweten sorteert misschien meer effect, zo hoopt Van Royen, de met de zaak belaste baljuw van beide Katwijken.

Ondertussen vertelt Maartje aan haar ondervragers dat haar man een met ijzer beslagen kistje van De Wolff aan stukken had geslagen en haar had opgedragen de brokstukken in de sloot te gooien. Dat ijzerbeslag wordt aan Knötz getoond, waarop hij inschikt en toezegt de waarheid te vertellen.

Knötz geeft nu toe het kistje uit het huis van De Wolff te hebben gestolen. Maar, zo zegt hij, daar waren verzachtende omstandigheden voor. Hij had zijn huisbaas met zijn vrouw in bed aangetroffen. Daardoor was hij in woede ontstoken en had hij De Wolff enkele klappen gegeven. Het was Maartje echter, zo stelt Knötz, die het slachtoffer de hals doorsneed. Samen hadden ze het lijk verstopt. De moord op handelsreiziger Verster echter blijft hij ontkennen, ook wanneer hij ten overstaan van zijn vrouw wordt verhoord. Hij blijft ook bij zijn bewering dat zij De Wolffs hals heeft doorgesneden, hoewel er bij de lijkschouwing geen kneuzingen zijn gevonden die de volgens Knötz aan de moord voorafgaande klappen zouden hebben moeten achterlaten.

Drie dagen later getuigt Knötz – op zijn eigen verzoek – tegen zijn vrouw, eveneens in haar aanwezigheid. Hij volhardt ook dan in zijn bewering dat hij haar met het slachtoffer in bed betrapte, maar zegt nu dat het zijn idee was De Wolff de hals door te snijden. Ook verklaart hij ditmaal dat hij zelf het bloed opruimde, het lijk in de schuur legde en naar het huis van het slachtoffer ging om er spullen weg te nemen. De rechter twijfelt aan deze bekentenis en vermoedt dat Knötz, door zijn vrouw gedeeltelijk te ontlasten, haar zal doen bewegen het deel van overspel te bevestigen, waardoor Knötz meer begrip van de rechtbank zal krijgen voor zijn daad en mogelijk de doodstraf ontloopt.

Wat de rechter het liefst hoort is een bekentenis van de moord op Cornelis Verster. De tabaksdoos die bij Knötz gevonden is, heeft hij van een vriend uit Alkmaar gekocht, zegt hij. Dat de vader van het slachtoffer die doos herkent als van zijn zoon, brengt Knötz aanvankelijk niet van zijn stuk.

Kort daarop echter zegt Knötz tegen een cipier dat hij bereid is alles te bekennen. De baljuw wordt geïnformeerd en die belegt meteen een nieuwe zitting. Knötz zegt misleid te zijn geweest, maar nu klaar te zijn voor een ‘oprechte belijdenis’. Armoede heeft zijn vrouw en hemzelf doen besluiten hun omstandigheden te verbeteren. Daarin waren ze zo ver gegaan dat ze waren overeengekomen dat Maartje tegen betaling overspel zou plegen. Ook geeft Knötz ditmaal toe bij de oude, onopgeloste moord betrokken te zijn.

De schoenenverkoper had de avond van zijn dood  inderdaad bij het stel aangeklopt, aldus Knötz. Maartje had hem binnen gevraagd en in de keuken een paar muiltjes uitgekozen. Ze had haar man om geld gevraagd en toen Knötz antwoordde dat niet te hebben, had Maartje haar man gevraagd de verkoper dan maar ‘om hals’ te brengen. Knötz had gehoorzaamd, zegt hij, en met een hakmes een einde gemaakt aan het leven van de handelsreiziger uit Loon op Zand.

Samen met zijn vrouw had Knötz het lijk in een turfhok gelegd, waarna zij de mand met schoenen in de kelder had verstopt. Die nacht hadden ze het lichaam in het Mallegat, een kanaal bij Katwijk aan Zee, willen gooien. Maar de waakhonden van een naburige blekerij sloegen aan, dus dumpten ze Cornelis in een sloot langs de weg. Om de indruk te wekken dat hij onderweg was vermoord, zetten ze zijn mand met koopwaar een paar dagen later in de berm.

Nu hij ook de tweede moord heeft bekend, lijkt Knötz geen remmingen meer te hebben. Hij herroept zijn eerdere verklaringen en zegt nu dat hij De Wolff niet met zijn vrouw in bed, maar bij de haard heeft aangetroffen. Hij zocht daarop ruzie met zijn huurbaas, sloeg hem met een persijzer op het hoofd en sneed vervolgens eigenhandig de keel van zijn slachtoffer door, om vervolgens diens huis te plunderen. Twee dagen later verstopte hij het lijk op de plek waar de voerman uit Katwijk aan Zee het drie maanden later zou vinden. De diefstallen, waarvan zijn vrouw hem eerder beschuldigde, bekent Knötz nu ook.



Guilty as sinn dus, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. Maar Maartje Haasbroek heeft ook niet wat je noemt schone handen. Nu is het aan de baljuw om te bepalen wat de vrouw allemaal ten laste gelegd kan worden. Heeft ze eerder niet een schaar met zilveren ketting gestolen? Ook heeft ze ooit van het bleekveld van haar bloedeigen moeder een beddenlaken ontvreemd. Ze vertelt bovendien dat de huurbaas tijdens hun eerste huwelijksjaar ‘onbetamelijke aanzoeken’ heeft gedaan, maar dat hij die, na door haar te zijn afgewezen, nooit heeft herhaald.

Knötz verklaart bovendien nog even dat Maartje en hij eerder plannen hebben gemaakt om haar vader te vermoorden. Maartjes ouders dreigden te gaan scheiden en zo kon het jonge stel hun erfenis eerder veiligstellen. Alleen het afketsen van die scheiding maakte dat het moordplan niet doorging. Verder vertelt Knötz over een aanvaring die hij heeft gehad met een man die zijn vrouw had geprobeerd te verleiden. Op Knötz verzoek had Maartje de man thuis uitgenodigd, waar Knötz hem had afgetuigd.

Ook over de aanleiding voor de moord op De Wolff geeft Knötz eindelijk openheid van zaken. De Wolff had, in aanwezigheid van Maartjes broer, tegen Knötz gezegd: “Ik mag immers wel bij Uwe vrouw komen, al zijt gij niet te huis.” Maartje bevestigt dat De Wolff vaker avances had gemaakt, maar voegt daar aan toe dat de huurbaas haar seksueel toen al een tijdje ‘verveelde’. Om die reden had ze met haar man plannen gemaakt De Wolff om te brengen.

Op 20 juni 1803 verschijnt het Katwijkse moordkoppel voor het laatst samen voor de rechter. Jan Knötz geeft toe dat hij zijn vrouw op veel punten vals heeft beschuldigd. Niet zij, maar hij heeft de handelsreiziger gedood. Ook het laten verdwijnen van het lijk deed hij zonder haar hulp. Wel had zij hem aangezet tot de moorden. Maartje bevestigt deze lezing. Samen verklaren ze door armoede tot hun daden gedreven te zijn. Maartje voegt daar nog aan toe dat ze een half jaar zwanger is.

De rechtbank rest niets anders dan mee te gaan in de eis van de baljuw. Jan Knötz zal anderhalve week later, op 1 juli, door radbraken ter dood worden gebracht. Na het voorlezen van het vonnis volgen de voor die tijd in de rechtspraak gebruikelijke gebeden.

En Maartje? Alhoewel ze de moorden niet zelf heeft gepleegd, vindt de baljuw haar aanstichtingen ernstig genoeg om dood door openbare verwurging tegen de zwangere moeder van vier kinderen te eisen. De rechtbank gaat daar niet in mee. Ze mag in een tuchthuis de bevalling afwachten. Het dochtertje wordt aan een pleeggezin toevertrouwd, waarna Maartje Haasbroek publiekelijk wordt gegeseld, gebrandmerkt en voor de duur van vijftig jaar het tuchthuis in verdwijnt. Of ze die halve eeuw heeft uitgezeten, vertelt de geschiedenis niet. Net zo min als wat er is geworden van het meisje dat werd geboren uit dit moordkoppel.

Klik hier voor meer oude verhalen over Katwijk.

Berkhey: dorp verzwolgen door de geschiedenis

Het gebied in de duinen tussen Scheveningen en Katwijk aan Zee, ongeveer ter hoogte van Wassenaar, heet Berkheide. Vele natuurliefhebbers kennen het, maar weinigen weten dat het vernoemd is naar Berkhey, een vissersdorp dat daar in de nadagen van de middeleeuwen een soort paria was en eind zestiende eeuw van de kaart werd gevaagd.

Pinck, berkhey, katwijk, berkheide, wassenaar, Frank Jacobs
Pincken op het strand van Berkhey.

Aan het einde van de veertiende eeuw kwam de heer van Voorschoten, Gillis van Cralingen, naar Wassenaar. In de duinen stichtte hij in 1396 het dorpje Berkhey, vernoemd naar de destijds talrijke berkenbomen in die omgeving. Het ‘hey’ suggereert dat het dorp en omgeving bedoeld waren om veeteelt te bedrijven, maar de werkelijkheid was dat Van Cralingen van Berkhey een vissersdorp wilde maken. Scheveningen en Katwijk floreerden in die jaren en Van Cralingen wilden daar ook een visje van meepikken. Eenieder die vanuit Berkhey de visserij beoogde te bedrijven, kreeg een stuk grond om er zijn huis op te bouwen, in ruil voor een deel van de vangst plus vier procent van de opbrengst. Het plan leek te slagen en Berkhey ontpopte zich als een serieuze concurrent voor Katwijk en Scheveningen.

Berkhey, berkheide, katwijk

Volgens het Genootschap Oud Katwijk bestond de bevolking van Berkhey waarschijnlijk uit ketters en maatschappelijk uitschot, al zal die kwalificatie wellicht mede zijn ingegeven door de concurrentiepositie die Berkhey genoot ten opzichte van Katwijk. Vanaf 1412 mochten Katwijkers zich niet alleen niet meer in Berkhey vestigen, zelfs omgang met de inwoners van het naburige dorp werd wettelijk verboden.



Er is weinig bekend over hoe het Berkhey daarna verging. Een aantal vernietigende vloedgolven en stormen, waaronder de Elisabethsvloed van 1421 en de Allerheiligenstorm van 1570, namen hele happen uit Scheveningen en Katwijk en zullen dus ook Berkhey hebben aangetast. Uit het geregistreerde aantal pincken (visserboten) in de periode tussen 1475 (negen) en 1515 (twee) valt te herleiden dat het bergafwaarts ging met Berkhey. In 1598 wordt het dorp nog één keer genoemd in een tekening, wanneer een potvis er strandt. Op een kaart uit 1622 staat het dorp nog vermeld, maar daarna verdwijnt Berkhey in de geschiedenis. Dat de naam in Katwijk nog voorkomt, doet vermoeden dat de bewoners van het onfortuinlijke dorp ergens in de vroege zeventiende eeuw met hangende pootjes naar de buren zijn gevlucht.

Dodenvlucht boven Katwijk

In 1965 gaan twee vliegtuigmonteurs zonder vliegervaring aan de haal met een militair toestel. Ze krijgen het van de grond, maar dat ze het nooit meer kunnen landen, moeten ze hebben geweten. Ze storten in zee en Katwijk ontsnapt aan een ramp. Wat de mannen tot deze daad dreef, is tot op de dag van vandaag een mysterie.

Het is vrijdagavond tegen middernacht, 22 januari 1965. De koude oorlog is in volle gang en op Vliegkamp Valkenburg is een eskader van twaalf Lockheeds Neptune SP-2H gestationeerd als duikbootbestrijdingsvliegtuig. Ook kunnen de toestellen worden ingezet voor opsporings- en reddingsoperaties, OSRD in vakjargon, en daartoe staan er  vijf opgesteld op de Flight, het rangeerplatform aan de zuidoostkant van het vliegveld.
Vliegtuigmonteur Ad Meulenberg loopt samen met zijn maat Boel de wacht, herinnert hij zich ruim vijftig jaar later nog: “Het was een koude nacht en de regen kwam met bakken uit de hemel.” Kort voor middernacht ziet Meulenberg vanuit de duisternis Boel op hem afkomen lopen met de vraag of hij weet of er OSRD is: “Ik zei van niets te weten. Hij antwoordde dat er zojuist twee monteurs, Frans Bolk en Huib van Oostende, naar de Flight waren gekomen met het verhaal dat ze de Neptune 212 klaar voor vertrek moesten maken wegens een schip in nood op de Noordzee.”
Meulenberg belt de wachtcommandant. Die weet evenmin van een OSDR, maar zal navragen. De wacht gaat terug naar het platform, waar hij Bolk en Van Oostende aantreft, die al op de vleugels van de Neptune zitten om de motoren en vleugelkleppen te ontdoen van hun beschermhoezen. Boel vraagt waar de piloten blijven, waarop Bolk antwoordt dat die onderweg zijn.
Boel en Meulenberg krijgen argwaan. De baanverlichting is niet ontstoken, wat bij een OSDR gebruikelijk is. “Ik ging direct naar de wachtcommandant, die zei nog geen antwoord te hebben,” vertelt Meulenberg. Terug bij de Neptune ziet hij dat Bolk in de cockpit zit en de eerste motor start. Hij ruikt nu echt onraad: “Dat was iets dat normaal gesproken de piloten deden.”



Steek de banden lek
Voor de derde keer spoedt Meulenberg zich naar de wachtcommandant en ditmaal weet deze meer: er is helemaal geen sprake van OSDR. Meulenberg holt naar de Flight, waar de Lockheed begint te taxiën. Beide surveillanten rennen naar de wachtcommandant, die hen opdraagt het vliegtuig tegen te houden. Meulenberg gaat dwars door het gras achter de Neptune aan, die koers heeft gezet richting het begin van de startbaan.
Op de baan aangekomen kijkt Meulenberg de Neptune, die inmiddels is gedraaid, recht in de landingslichten. De militair realiseert zich dat zijn enige kans het leksteken van de banden is, dus schroeft hij de bajonet op zijn geweer. Ondertussen hoort hij de motoren van de Neptune aanzwellen en het omhoog zwiepen van de bundels van de landingslichten vertelt hem dat het vliegtuig de remmen heeft losgegooid.
Terwijl het toestel op hem af stormt, brengt Meulenberg zich in veiligheid door zich naast de startbaan in het gras te laten vallen. Amper ligt hij als de Lockheed hem voorbij dendert. Verbijsterd gaat hij zitten, om te zien hoe het vliegtuig zich losmaakt van de baan.

Oncontroleerbare duikvlucht
Meulenberg ziet dat het vliegtuig in een veel te steile hoek klimt. Het duurt niet lang voor de Neptune hopeloos overtrokken raakt. Het vliegtuig blijft even als bevroren hangen, richt de neus vervolgens scherp omlaag en begint aan een duikvlucht. Terwijl hij de lichten van het vliegtuig omlaag ziet vallen, begeleid door het gehuil van de motoren, realiseert Meulenberg zich dat de Neptune binnen enkele seconden op Katwijk zal storten. Hij ziet een lichtflits aan de horizon, gevolgd door een doffe klap en een spookachtig verlichte paddenstoelwolk.
Katwijk kruipt die nacht door het oog van de naald. Het is middernacht, bijna iedereen is thuis en de Neptune, met 10.000 liter brandstof een reusachtige molotovcocktail, mist op een haar na de flats in Molenwijk. Daardoor boort het toestel zich niet in de woonwijk, wat vele tientallen, zo niet honderden doden tot gevolg zou hebben gehad, maar stort het vijfhonderd meter uit de kust in de Noordzee.

Geen kans op heelhuidse landing
De dagen die volgen is het een drukte van belang op het strand van het anders zo rustige vissersdorp. Schepen, helikopters en vliegtuigen zoeken de zee af naar het wrak en de lichamen. Ondertussen piekert de marinetop op Vliegkamp Valkenburg over hoe dit heeft kunnen gebeuren. Bolk en Van Oostende staan te boek als betrouwbare, plichtsgetrouwe militairen. Bovendien wisten ze als vliegtuigmonteur dat ze zonder enige vliegervaring geen enkele kans maakten de Neptune, als ze hem al de lucht in kregen, ooit weer heelhuids op de grond te zetten. En al zouden ze wel vliegervaring hebben gehad, een Neptune vereist een driekoppige bemanning. Bovendien duurt de opstartprocedure met alle controles en opwarmen van de motoren normaal gesproken zo’n drie kwartier, wat in noodgevallen verkort kan worden tot een half uur; ditmaal zaten er zes minuten tussen starten en opstijgen.

Mannen hadden gedronken
Het onderzoek naar de toedracht wordt geleid door Kapitein ter Zee vlieger J. C. Petschi. De kolonel zoekt het antwoord op de vragen al gauw in de meest voor de hand liggende oplossing: drank. Daags na het drama vertelt hij tegen het Limburgs Dagblad (Bolk kwam uit Brunssum) dat een getuige had verklaard dat de jongeman die noodlottige avond in de kantine van het vliegkamp ‘ongeveer zes glazen bier’ had gedronken. Verder meent Petschi dat Bolk en Van Oostende ook voorafgaand aan hun kantinebezoek hebben gedronken: “Zij zullen bepaald niet dronken zijn geweest. Maar in ieder geval hebben ze genoeg bier gehad om een stukje van hun denkvermogen uit te schakelen,” quote de krant de kolonel.
Petschi vraagt zich verder af waarom beide mannen niet naar huis zijn gegaan, want ze hadden weekendverlof. Rond elf uur, sluitingstijd, hebben ze de kantine verlaten en zijn ze naar hun barak gegaan. Daar hebben ze nog met anderen gesproken, waarbij bijna niets opvallends is gezegd. Wel verklaart een getuige dat de een tegen de ander heeft gezegd “zullen we dan maar?”, waarna Bolk en Van Oostende vertrokken zijn. De rest van de officiële lezing komt in grote lijnen overeen met het relaas van Ad Meulenberg. De wacht treft geen enkele blaam, concludeert de onderzoekscommissie; hij heeft volgens instructies gehandeld.

Verhaal marinetop is twijfelachtig
Twee jongemannen die in een met bier overgoten vlaag van overmoed een vliegtuig kapen voor een nachtelijke joyride; twee mensenlevens en een vijf miljoen gulden kostend toestel verloren; case closed.

Vliegkamp Valkenburg Barak Frank Jacobs
Barak E13 tegenwoordig.

Wanneer we het ruim honderd pagina’s tellende onderzoeksrapport lezen, vinden we niet veel meer dan getuigenverklaringen die de officiële conclusies ondersteunen. Maar is het wel zo eenvoudig? Wanneer we betrokkenen zelf spreken, blijkt dat er nog steeds twijfel bestaat over de lezing van de marinetop. Zo zijn er mannen die destijds bij hetzelfde squadron zaten en afwijkend gedrag hadden opgemerkt bij de beide joyriders. Gijs Evertsen was in Barak E13 Huib van Oostende’s slaapbuurman, vertelt hij: “Er was op de bewuste dag iets broeiende. De herinneringen komen na vijftig jaar nog steeds boven.” Volgens Evertsen verving Bolk die dag een cockpitruit van de 212: “Het werk werd buiten uitgevoerd en gedurende de klus kreeg Bolk meermaals gezelschap van Van Oostende. Toen het werk erop zat, werd de Neptune van Hangar 5 naar de Flight verplaatst.”
Later die dag, in het slaapverblijf waar de soldaten zich klaar maakten voor weekendwacht of -verlof, merkte Evertsen op dat Huib van Oostende zich ‘enigszins merkwaardig’ gedroeg. Zo gaf hij persoonlijke bezitting weg of verkocht hij ze voor een prikkie. Evertsen zelf kocht van Huib voor 25 cent het boek Famous Combat Aircraft of the World: “Daarin stond een foto van een andere Nederlandse Neptune die eerder op Nieuw Guinea verloren was gegaan. Van Oostende had er een zwart kruisje bij gezet en toen ik vroeg wat dat betekende, zei Van Oostende dat de MLD er binnenkort nog een zou verliezen.”



Wandeling zou ze ontnuchterd hebben
Dat is, zeker na een halve eeuw, hoogstens een vage aanwijzing dat er iets mis zou zijn geweest. Maar hij wordt versterkt door het feit dat de verklaring van de marinetop dunnetjes is. Om te beginnen mocht de barman niet meer dan drie flesjes bier per persoon per avond schenken; zelfs al zouden Bolk en Van Oostende vooraf hebben ingedronken, dan zou dat in de kantine zijn opgevallen. Diverse mannen hebben verklaard dat beiden een nuchtere indruk maakten, wat ook in het onderzoeksrapport te lezen is. In het ergste geval waren ze licht aangeschoten. Beiden wisten dat ze een Neptune nooit heelhuids zouden kunnen landen. Verder was het vanaf de barak vier kilometer lopen door de kou en stromende regen; als ze al aangeschoten waren vertrokken, had die tocht ze wel ontnuchterd.

Onderzoek was niet diepgaand
Ook de afwikkeling van het onderzoek roept vraagtekens op. Kapitein ter Zee Petschi was als commandant van het vliegkamp verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken, dus ook de bewaking van de vliegtuigen. Dezelfde Petschi werd na het drama aangewezen als voorzitter van de onderzoekscommissie én als persvoorlichter. Dat heeft met onafhankelijkheid weinig te maken, maar verklaart wel waarom Petschi de wacht zo snel van alle blaam zuiverde; die hadden immers keurig volgens door hem uitgevaardigd protocol gehandeld. En dat Petschi al na twee dagen, nog voordat de lichamen van Bolk en Van Oostende gevonden waren, insinueerde dat drankgebruik de oorzaak was geweest, duidt niet op erg diepgaand onderzoek.

Deel van Katwijk was er niet meer geweest
Stel dat er inderdaad geen drank in het spel was en Bolk en Van Oostende bij hun volle bewustzijn in het vliegtuig zijn gestapt, wat heeft ze dan gedreven? Een dubbele zelfmoord? Dat lijkt moeilijk te geloven, maar dat geldt eigenlijk voor elk mogelijk scenario. Gijs Eversten vermoedt dat ze het vliegtuig in opdracht van een vreemde mogendheid moesten stelen, maar dat de piloot die zou vliegen niet kwam opdagen, zodat ze na ontdekking in paniek vluchtten. Een verklaring die door anderen weer voor zeer onwaarschijnlijk wordt gehouden.
Waarom beide mannen nou echt zo jong moesten sterven, is na ruim een halve eeuw nog steeds een mysterie en zal dat wel altijd blijven. Hun nachtelijke dodenvlucht is lang vergeten, maar als hun toestel iets eerder overtrokken was geraakt, was een deel van Katwijk in een vuurzee verdwenen.

————————–

Berging
Dinsdagavond 26 januari wordt het wrak van de Neptune op de zeebodem gelokaliseerd, waarna het in de dagen die volgen in stukken omhoog wordt getakeld. Die ochtend al spoelt het lichaam van Huib van Oostende aan op het strand tussen Katwijk en Wassenaar. Woensdagmiddag wordt een paar kilometer zuidelijker, op het strand van Scheveningen, het stoffelijk overschot van Frans Bolk aangetroffen.

————————-

Slecht voorbeeld
De drieste actie van Bolk en Van Oostende was voor de MLD des te gênanter omdat het niet de eerste keer was dat onbevoegd personeel met een vliegtuig aan de haal ging. Nog geen jaar voor de dodenvlucht boven Katwijk had de 21-jarige boordwerktuigkundige Theo van Eijck op Malta een Grumman S-2 Tracker gekaapt en de wijk genomen naar Libië. Van Eijck was niet door de keuring gekomen en wilde zo bewijzen dat hij wel degelijk kon vliegen. Ook Frans Bolk had ambitie piloot te worden en het zou zomaar kunnen zijn dat hij een slecht voorbeeld nam aan de actie van Van Eijck.

Dit artikel verscheen eerder in Quest Historie.  Lees hier nieuwe ontwikkelingen in deze zaak. 

De mysterieuze verdwijning van Rudolf Diesel

In het vroege najaar van 1913 verdwijnt tijdens een nachtvaart naar Harwich de Duitse uitvinder Rudolf Diesel. Hij dineert met twee zakenpartners, trekt zich terug in zijn hut en wordt nooit meer gezien. Diesels verdwijning wordt afgedaan als zelfmoord, maar latere gebeurtenissen doen een heel andere toedracht vermoeden.

Het is zondagavond 29 september 1913. De wereldvrede kent een wankel evenwicht, maar van het begrip wereldoorlog heeft de man in de straat nog nooit gehoord. Voor de Belgische kust verdwijnt het laatste zonlicht aan de horizon terwijl de SS Dresden het Europese vasteland achter zich laat en koers zet naar Harwich. De eersteklaspassagiers genieten hun avondmaal, de stoommachine doet het tafelzilver zacht rinkelen en aan een tafel in de hoek van de eetzaal zitten drie voorname heren, waarvan er een rijkdom en faam heeft vergaard met een revolutionaire motor die de stoommachine overbodig zal maken.
Rudolf Diesel is een vriendelijk ogende, bebrilde man van 55 en heeft een indrukwekkende carrière achter de rug. Hij staat dan ook op het punt te gaan rentenieren en dat mag voor iemand met een geschat vermogen van 2,5 miljoen dollar (omgerekend naar huidige maatstaven 62 miljoen) geen probleem zijn. Met zijn vrienden en zakenpartners Luckmann en Carels is hij op weg naar Londen voor de jaarvergadering van de Consolidated Diesel Engine Manufacturers.

Verbannen uit Parijs
Rudolf Christian Karl Diesel wordt op 18 maart 1858 in Parijs geboren als tweede kind van de Duitse immigranten  Elise Strobel en Theodor Diesel. Theodor komt oorspronkelijk uit Augsburg en beoefent in Parijs het vak van boekbinder. Daar ontmoet hij Elise, wier roots in Neurenberg liggen, en hij gaat aan het werk als handelaar in lederwaren.
De Frans-Duitse oorlog maakt de familie Diesel in 1870 ongewenst in Parijs en het gezin wijkt uit naar Londen. Kort daarop wordt de dan twaalfjarige Rudolf door zijn ouders terug naar Augsburg gestuurd, waar hij bij zijn oom en tante intrekt. Zijn oom is wiskundeleraar, de industriële revolutie is in volle gang en Rudolf komt al gauw tot de conclusie dat hij carrière wil maken in de techniek. Na zijn middelbare school volgt hij een technische vervolgopleiding in Augsburg, waarna hij zich op de technische universiteit van München inschrijft. Daar volgt hij college bij onder meer Carl von Linde, een briljante ingenieur die uitvindingen doet op het gebied van koeling en daar later, in hetzelfde jaar dat Diesel op mysterieuze wijze verdwijnt, de Nobelprijs voor de natuurkunde voor in de wacht sleept.
Na zijn afstuderen in 1880 keert Diesel terug naar zijn geboortestad Parijs, waar hij Von Linde weer treft en bij hem in dienst treedt. Drie jaar later trouwt hij met Martha Flasche en samen krijgen ze drie kinderen. In 1890 verkast het gezin naar Berlijn, waar Rudolf een hoge functie bij Linde krijgt.

Succesnummer
De natuurwetten rond de ontluikende koeltechniek, waar Diesel bij zijn werk voor Linde mee te maken heeft, inspireren hem tot alternatieven voor de stoommachine en de prille verbrandingsmotor, waarvan het rendement veel te laag is naar Diesels smaak. Hij bedenkt een alternatief, waarin de brandstof wordt ontstoken door hoge druk. Omdat de verbranding onder hogere temperaturen plaatsvindt en langer duurt, is het rendement veel hoger.
In 1892 patenteert Rudolf Diesel zijn uitvinding en in de wapenfabrikant Krupps vindt hij een financier voor de ontwikkeling ervan. Een jaar later loopt het eerste prototype met als aanvankelijke brandstof arachideolie, een mooi woord voor pindaolie. De meer dan manshoge machine heeft een boring van 22 centimeter en een slag van veertig centimeter en scoort in 1895 op petroleum een rendement van 16,6 procent.
Een jaar later begint Diesel aan een verbeterde versie, waarmee hij een rendement van 26,2 procent haalt. Op een expositie in München in 1889 demonstreert Diesel deze 25 pk sterke eencilinder voor het eerst. De efficiëntie en eenvoud maken de machine volgens de Grande Encyclopedie Practique de Mechanique et d’Electricité uit 1910 een onmiddellijk succesnummer. Diesel doet uitstekende zaken met de verkoop van licenties. Zijn geesteskind vindt zijn weg naar generatoren, treinen, scheepvaart, fabrieken en de automobielindustrie en de bankrekening van de briljante uitvinder groeit als kool. Rond de eeuwwisseling is het bedje van Rudolf Diesel gespreid en het geluk lacht hem toe. In 1912 staan er wereldwijd meer dan zeventigduizend dieselmotoren te stampen.



Verdwenen
Maar geluk is soms van korte duur. In de herfst van 1913 vertrekt Rudolf Diesel met twee zakenpartners met de nachtboot naar Engeland, waar ze een vergadering en de opening van een fabriek zullen bijwonen. Diesel haalt de overkant niet. Hij blijft weg bij het ontbijt en wanneer het schip in Harwich aanmeert, blijkt de uitvinder spoorloos verdwenen. Het voorval wordt wereldwijd opgepikt en ook de New York Times doet er uitgebreid verslag van: “Meteen nadat we de haven van Antwerpen uit waren gevaren, hebben we gedrieën gedineerd. Daarna flaneerden we over het dek, pratend en rokend. Dr. Diesel was opperbest gehumeurd en vrolijk,” vertelt George Carels, directeur van Diesels bedrijf en een van zijn reisgenoten, tegen de Amerikaanse krant. “Rond tienen, terwijl de lichten van Vlissingen in zich waren, zei ik: ‘Ik denk dat het tijd is om te gaan slapen.’ Dr. Diesel stemde daar mee in en we zijn alle drie naar onze hutten gegaan.”
Volgens Carels blijft Diesel even stilstaan bij de deur van zijn hut, maar lijkt hij zich daarna te bedenken. Hij loopt Carels achterna, schudt hem de hand, wenst hem goedenacht en besluit met de woorden ‘Ik zie je morgenochtend’. “Dat waren de laatste woorden die hij ooit tegen me sprak.”
De volgende ochtend ontbreekt Diesel aan de ontbijttafel. Carels en Luckmann gaan naar zijn hut en kloppen tevergeefs aan. Wanneer ze de deur zelf open doen, treffen ze een onbeslapen bed aan. “De deken was omgevouwen en een nachthemd lag op het bed klaar voor mijnheer Diesel. Zijn sleutels zaten in een vakje van zijn tas en hij had zijn horloge aan de tas gehangen op een dusdanige manier dat hij het vanuit bed kon aflezen,” vertelt Carels tegen de krant: “Alles leek netjes in de hut. Ik kon niet vaststellen of er geld ontbrak, omdat ik niet wist hoeveel hij bij zich had gehad. Maar niets wees erop dat er in zijn spullen was gerommeld. Omdat zijn aankomstticket niet was ingeleverd, waren we er zeker van dat Dr. Diesel niet aan land kon zijn gegaan. En omdat hij niet aan boord gevonden was, konden we niets anders concluderen dan dat hij in de loop van de nacht overboord moest zijn verdwenen.”

Financiële nood
Carels benadrukt dat Diesel een vrolijke, opgeruimde indruk maakte aan het einde van de vorige avond: “Als we het idee van een ongeluk uitsluiten, kan ik alleen nog maar denken dat er plotseling iets fout moet zijn gegaan in zijn hoofd. Hij was terughoudend met alcohol, rookte niet en had voor zover ik weet geen last van duizeligheid.” Dat laatste behoeft enige nuance. Tegenover diverse vrienden heeft Diesel eerder geklaagd over vlagen van slapeloosheid, die hem er toe brachten bij nacht en ontij, doodmoe, rond te struinen. Zakelijke beslommeringen en extreme werkdruk hebben in de voorafgaande jaren een zware wissel getrokken op zijn gezondheid.
Twee weken na Diesels mysterieuze verdwijning komen zaken boven water die een heel ander licht op de kwestie werpen. De eerdere verhalen over zijn fortuin worden in twijfel getrokken door Duitse kranten die menen te weten dat Diesel zijn familie in financiële nood heeft achtergelaten. Naar verluidt heeft Diesel zijn kapitaal geïnvesteerd in een aantal bedrijven waarvan het succes is uitgebleven en de Duitse pers speculeert dat de reden van zijn verdwijning moet worden gezocht in de netelige financiële positie waarin Diesel zich bevindt.
Twee dagen later, op 14 oktober 1913, komen Diesels schuldeisers bijeen in München. Ze becijferen dat de verdwenen uitvinder zo’n 375 duizend dollar schulden heeft, waar hij niet meer dan tienduizend dollar aan vaste activa tegenover heeft staan. Tot overmaat van ramp staat zijn onroerend goed voor veel meer in de boeken dan het werkelijk waard is.

Bizar bericht
In maart 1914, bijna een half jaar na Diesels verdwijning, verschijnt in de Münchener Abend Zeitung een bizar bericht. De krant doet gewag van ‘in Duitsland ontvangen brieven’ waaruit zou blijken dat de verdwenen Dr. Rudolf Diesel in Canada een nieuw leven is begonnen. Concreter dan dat wordt het artikel niet en al te veel waarde moeten we er dan ook niet aan hechten. Maar inmiddels is wel duidelijk dat Diesel alle reden had om in rook op te gaan en over het terugvinden van zijn lichaam bestaat veel twijfel. Voor de monding van de Schelde, ter hoogte van Vlissingen, wordt elf dagen na Diesels verdwijning een lijk opgevist van een verzorgde, goed geklede man die wat betreft postuur en leeftijd Rudolf Diesel zou kunnen zijn. Een dag eerder wordt bij Noorwegen een ander lijk uit zee gehaald dat in verband wordt gebracht met de vermiste ingenieur. Het is al dermate ontbonden dat de vinders het niet aan boord willen nemen, maar voorwerpen op dat lichaam worden veiliggesteld en later door Diesels zoon Eugen geïdentificeerd als van zijn vader. Maar als Diesel inderdaad heeft willen verdwijnen om aan zijn schuldeisers te ontsnappen, dan heeft Eugen er alle belang bij dat die crediteuren geloven dat zijn vader dood is.
Volgens de overlevering kreeg Diesels vrouw Martha voor zijn vertrek naar Engeland een tas van haar man met de instructie die pas een week later te openen. Dat doet ze na zijn vermeende dood, om tweehonderdduizend mark in contanten aan te treffen. In een agenda die Diesel mee aan boord heeft genomen, zou hij op de pagina van 29 september, de dag van zijn verdwijning, een zwart kruis hebben getekend, alsof hij zijn eigen einde markeerde.
History became legend, legend became myth; een quote uit Lord of the Rings die ook van toepassing is op de verdwijning van Rudolf Diesel. Toegegeven, waarschijnlijk is hij die herfstnacht in 1913 ‘gewoon’ uit wanhoop vanwege zijn zakelijke mislukkingen overboord gesprongen, de kolkende golven en een wisse, maar bevrijdende dood tegemoet. Maar je zou bijna hopen dat hij vanuit Canada nog vele jaren heeft mogen toezien hoe zijn uitvinding de wereld veroverde. En nog meer dat ouderdom tijdig zijn ogen voor eeuwig heeft gesloten, zodat hij de onverkwikkelijke schandalen rond zijn briljante uitvinding in dieselgate nooit heeft hoeven meemaken.

 


Moordcomplotten
Geen mysterie zonder complottheorieën. Tot op de dag van vandaag zijn er mensen die niet geloven dat Rudolf Diesel zelfmoord pleegde, noch dat hij zijn snor drukte om aan schuldeisers te ontsnappen. Diesel zou met opzet overboord zijn gekieperd en voor een dergelijke moord waren twee motieven mogelijk. Zo zou de olie-industrie er alle belang bij hebben om Diesel een kopje kleiner te maken. Zijn techniek ging immers veel te spaarzaam om met het goedje waar zij rijk mee waren geworden. Dat klinkt tamelijk vergezocht; immers, dan zou Elon Musk al twintig keer zijn gevierendeeld, onthoofd en doodgemarteld door de OPEC. Iets minder onwaarschijnlijk is de theorie dat Diesel naar Engeland reisde om zijn kennis aan de Engelse marine te verkopen. De Eerste Wereldoorlog was aanstaande en de dieselmotor vormde het hart van de Duitse onderzeeërs. De Duitse geheime dienst zou door Diesel te vermoorden hebben willen voorkomen dat hij zijn kennis ter beschikking van de toekomstige vijand stelde.


Dit artikel verscheen eerder in AutoWeek

Berkhey, a village swallowed by history

Berkheide is a reserve in the dunes between Scheveningen and Katwijk on the dutch coast, well known by many nature lovers. Few people though know that the name of the area can be traced back tot Berkhey, a fishing village that was an outcast in the late Middle Ages and eventually was swept away by the end of the sixteenth century.

In the fourteenth century the Lord of Voorschoten, Gillis van Cralingen, came to the area of Wassenaar, the Netherlands. In 1396 he established the village of Berkhey in the dunes. ‘Berk’ means birch, a tree that was common in that area. ‘Hey’ means moorland, suggesting the new born village was meant for cattle breeding.

But the truth was that the Lord had planned a fishing village. Fishery was very successful these days in the surrounding villages Scheveningen and Katwijk aan Zee. Van Cralingen wanted his share. He would give anyone willing to work as a fisherman land to build a house. In exchange he demanded some of the catch and four percent of the yield. The plan turned out to be fortunate, leading to serious rivalry between Berkhey and the surrounding towns.

Berkhey, berkheide, katwijk

According to the Society Old Katwijk, the people of Berkhey were mostly heretics and scum. But the competitive situation might have lead to that assumption. From 1412, it was prohibited for people from Katwijk to settle in Berkhey or even to communicate with inhabitants of the nearby village.



Little is know about what happened to Berkhey after that. Quite a few heavy floods, like the Elizabeth Flood of 1421 and the All Saints Day Flood of 1570, swallowed parts of Katwijk and Scheveningen. It is likely to assume that Berkhey was stricken as well. The register of Berkhey fishing boats in that period recorded nine so called pincks in 1475 and only two left in 1515, a down bound trend.

Berkhey is pictured one more time in a preserved 1598 drawing of a stranded sperm whale. The village is on a french map dated 1622, but after that, history erased the unfortunate fishing village. The fact that derivates from Berkhey still are quite common today as surnames in Katwijk, supposes that the last inhabitants of Berkhey fled to the nearby village.