De vroege jaren van Peugeot

Lang voordat de eerste automobielen reden, was Peugeot al een begrip in het oosten van Frankrijk. Hennep, meel, wol; zolang het geld opleverde, kon je er bij de Peugeotjes voor aankloppen. Wanneer het minder gaat en Peugeot zelfs failliet dreigt te gaan, zijn het de Victoriaanse ladies of leisure die er voor zorgen dat wij vandaag 208 kunnen rijden.

Het samengaan van Peugeot en Opel mag dan recent verleden zijn, het had net zo goed in de vroege jaren tachtig van de negentiende eeuw beklonken kunnen worden. Want rond dezelfde tijd dat Adam Opel door Engeland reisde om zich te oriënteren op de daar in opkomst zijnde fietsenindustrie, was ook een Frans industrieel daar op zoek naar ideeën om fietsen in eigen land te gaan bouwen. De heren hadden elkaar zomaar tegen kunnen komen, ergens in de hal van een Engelse fietsenfabrikant. Armand Peugeot was begin dertig, telg uit een oude familie van industriëlen en gefascineerd door alles op wielen.

Wie in oude archieven duikt, komt vanaf midden vijftiende eeuw in het oosten van Frankrijk, het huidige Doubs, en Zwitserland Peugeots tegen. Het is echter niet zeker dat deze mannen voorvaderen zijn van de autofabrikant. De eerste waarvan we dat wel met zekerheid kunnen vaststellen, is Jean-Jacques Peugeot, die in 1694 in het dorpje Vandoncourt, vlak bij de Zwitserse grens, ter wereld komt. Zijn vader is boer en burgemeester en zijn opa van moeders kant een molenaar. Jean-Jacques krijgt acht kinderen, waarvan er zeven voor deze geschiedenis niet relevant zijn. Des te belangrijker is zoon Jean-Pierre, die in 1734 wordt geboren. Hij groeit op en wordt, net als zijn opa, vader en vier broers, molenaar. Jean-Pierre is net wat ondernemender dan zijn verwanten en zet naast zijn molenaarswerk een textielververij, dorsbedrijf en henneppletterij op. Maar ook dat volstaat niet, want uit een vergunningaanvraag uit 1802 kunnen we afleiden dat hij ook plannen had voor een kledingfabriek en een papiermolen. Die plannen kan hij niet meer uitvoeren: in 1814, op de voor die tijd alleszins respectabele leeftijd van tachtig jaar, moet Jean-Pierre bij Petrus aankloppen.

Gereedschappen
Hij laat vier zonen na, waarvan er twee, Jean-Pierre II en Jean-Frédéric, samen met ene Jacques Maillard-Sanlis een ijzergieterij en zaagbladenfabriek opzetten. Ze ontwikkelen en patenteren een nieuwe methode om staal koud te bewerken. In combinatie met het beukenhout, dat ruimschoots voorhanden is in de landerijen van de familie, leidt dat al gauw tot de fabricage van allerlei gereedschappen. Maar ook bladveren, onderdelen voor uurwerken en ijzerbeslag voor dameskorsetten vinden gretig aftrek. Tegen het eind van de jaren 1810 heeft de fabriek dertig werknemers, waarmee het gehucht La Chapotte de industriële revolutie in wordt getrokken. Mede dankzij de export naar Zwitserland en Italië blijft de groei er in zitten. Deze periode van bloei wordt in 1822 overschaduwd door de dood van Jean-Frédéric, nog maar 52.

Inmiddels zit de volgende generatie, de zonen van Jean-Pierre II en Jean-Frédéric ook in het bedrijf. Mede onder hun leiding wordt in Terre Blanche, enkele kilometers ten noorden van La Chapotte, een nieuwe fabriek geopend, waar zo’n honderd arbeiders emplooi vinden. Ook in Valentigney en Montbéliard komen vestigingen. Ondanks de successen botert het niet tussen de neven en de beide takken gaan vanaf 1842 ieder huns weegs.

Huwelijkse sponde
De kinderen van Jean-Frédéric sluiten een dubbel huwelijksverbond met de familie van James Jackson, een staalfabrikant van Engelse komaf. Louise Peugeot trouwt met Jacksons zoon William, Georges Peugeot vraagt Jackson met succes om de hand van zijn dochter Anna. Ook buiten de huwelijkse sponde botert het tussen beide families en dat leidt tot de oprichting van Peugeot Aînés et Jackson Frères, geleid door de vier zonen van Jean-Frédéric en evenveel jonge Jacksons. Ze bouwen een eigen fabriek in Pont-de-Roide, niet ver van de bestaande Peugeot-vestigingen.



Ondertussen is bij de andere tak zakenpartner Jacques Maillard-Sanlis overleden en zijn de oorspronkelijke Peugeot-fabrieken na een korte tussenpoos weer terug in handen van de zonen van Jean-Pierre II, Jules I (dan nog gewoon Jules, omdat zijn kleinzoon Jules II pas in 1882 geboren zal worden) en Emile. Zij zoeken versterking bij de gebroeders Octave en Adolphe, uit de destijds bekende familie industriëlen Japy, en zo ontstaat Peugeot-Japy et Cie. In 1847 vragen de broers Peugeot aan een lokale edelsmid om een logo voor ze te maken, teneinde zich te onderscheiden van de concurrentie. Het moet een leeuw worden, omdat die symbool staat voor kracht, snelheid en souplesse.

De Japys blijven niet lang aan boord. De Franse Februarirevolutie van 1848 laat diepe sporen na in de economie met een financiële crisis als gevolg. Peugeot-Japy et Cie. raakt op de rand van een faillissement en de gebroeders Japy verlaten het zinkende schip. Maar dat gaat uiteindelijk niet ten onder. Jules I en Emile weten het tij te keren en een nieuwe periode van expansie in gang te zetten voor wat inmiddels Peugeot Frères heet.

Modebewuste dames
De terugkeer van de gouden jaren hebben de gebroeders Peugeot mede te danken aan hulp uit onverwachte hoek. Gedurende de jaren 1850 worden hoepeljurken dé hit onder modebewuste dames. Aanvankelijk worden die in model gehouden door walvisbotten of rotan, maar dat materiaal breekt gauw. Peugeot levert als alternatief ijzeren spaken, al gauw in enorme hoeveelheden. Zoals altijd met modegrillen gaan ze net zo snel voorbij als dat ze opkomen, maar de gebroeders Peugeot zijn zakenlui genoeg om zich daar niet door te laten verrassen. Ze liften mee op de volgende rage, het korset, waar nog meer ijzer aan te pas komt. Bovendien had Peugeot gedurende de gloriejaren van de hoepeljurk niet alleen spaken gemaakt, maar ook koffie- en pepermolens, spaken voor paraplu’s en de ijzerwaren waar ze al langer in deden, zoals zaagbladen, veren en tuingereedschap. “Er zal altijd vraag zijn naar spijkers, hamers om ze te slaan en tangen om ze er weer uit te trekken,” zei Jules Peugeot daar ooit over.

In 1865 is het tijd voor een volgende generatiewissel. Jules I en Emile gaan het rustiger aan doen en dragen de dagelijkse leiding over aan hun zonen Armand, Eugène I en Gaston. En ook zij blijken uit het juiste hout gesneden. Had je de kans gehad om in 1889 onder de net geopende Eiffeltoren door het expositieterrein van de Parijse wereldtentoonstelling op te lopen, dan was je zeker niet ontgaan dat Peugeot daar duidelijk aanwezig was met zijn brede gamma aan producten.

Hoe groot Peugeot dan ook moge zijn met zijn gereedschappen en molens, Armand is dan al in Engeland geweest waar hij het fietsenvirus op heeft gelopen. De eerste tastbare resultaten daarvan pronken dan ook op de wereldtentoonstelling: Peugeot-fietsen onder het label Lion, en Armand is dan ook degene die de fonkelnieuwe fietsenfabriek in Beaulieu onder zijn hoede heeft gekregen. De velocipede, ook wel ‘grand bi’ genaamd vanwege het enorme voorwiel, bestaat dan al ruim twintig jaar en is een grote hit, maar een fiets met twee even grote wielen en indirecte kettingaandrijving is in 1889 het nieuwste van het nieuwste. De bezoekers van de expositie zijn laaiend enthousiast en enkele jaren later is de eerste showroom in Parijs een feit. Die ligt opmerkelijk genoeg aan de Avenue de la Grande Armée, het verlengde van de Champs Elysée, waar vandaag de dag nog steeds veel automerken hun showroom der showrooms hebben.

Daimler en Maybach
Peugeot gaat voortvarend te werk en al gauw omvat het gamma vele modellen; dames- en herenfietsen, driewielers, tandems, groot en klein. In 1890 verlaten tienduizend Lions de fabriek. Maar het Fin de Siècle zijn roerige tijden waarin werkelijk niets stilstaat. Op dezelfde wereldtentoonstelling waar Peugeot de blits maakt met fietsen, verbaast een Duits duo de bezoekers met een verbrandingsmotor, gemonteerd op een quadricycle. Gottlieb Daimler en Wilhelm Maybach zetten bovendien twee pendelbootjes op de Seine in, de ook worden aangedreven door verbrandingsmotoren. Het trekt de aandacht van Armand en wekt zijn afgunst; zelf heeft hij een driewielige stoomwagen rondrijden, de Serpollet, genaamd naar de man die hem met hulp van Peugeot heeft gebouwd, maar die kan geen potjes breken bij het publiek.

De begeerde en benijde verbrandingsmotor blijkt dichterbij dan Armand had durven hopen. Zijn vriend Emile Levassor van Panhard & Levassor verwerft een licentie om Daimlers motoren in Frankrijk te bouwen en stelt voor dat Peugeot de koetsen er omheen dan maar gaat bouwen. Daar heeft Armand natuurlijk wel oren naar en al gauw zijn zijn eerste automobielen een feit. Klanten er voor vinden blijkt bovendien allesbehalve moeilijk.

Startschot
Des te moeilijker valt het Armand Peugeot om zijn familie te overtuigen. In 1892 verandert Peugeot Frères in Les Fils de Peugeot Frères en Armand moet zijn oudere neef Eugène I in de hiërarchie boven zich dulden. Laat Eugène nou helemaal niets zien in de auto. Dat is volgens hem een tijdelijk rage en niets voor hun conservatief ingestelde clientèle, die bij Peugeot kwam voor gereedschap, haarspelden, koffiemolens, fietsen en naaimachines. Eugène’s vader is het daar mee eens, Armand daarentegen hoeft geen backup van zijn vader te verwachten; Emile is al in 1874 overleden.

“Als je dan toch zo graag auto’s bouwt, dan doe je dat toch lekker voor eigen rekening?”, schijnt Eugène na de zoveelste ruzie te hebben gezegd, wat Armand beantwoorde door de deur van zijn kantoor dicht te knallen.

Met een beetje gevoel voor dramatiek kun je die knal zien als het startschot voor Peugeot als automobielfabrikant. In 1896 sticht Armand de Société des Automobiles Peugeot, los van de traditionele activiteiten van het familiebedrijf. De nieuwe smaak van vrijheid moet hem bevallen zijn, want hij maakt meteen een einde aan de samenwerking met Daimler en Panhard & Levassor. Niet alleen zitten Peugeot en Daimler elkaar in de weg in de Elzas en de Zwitserse markt, Peugeot ziet ook meer in een motor met liggende cilinders, in plaats van de twee-in-lijn-configuratie van Daimler, omdat er zo meer ruimte is voor passagiers.

Tegen die tijd, de klok tikt richting de twintigste eeuw, is bij Peugeot het tijdperk van experimenteren wel zo’n beetje voorbij. Armand koopt een stuk terrein in Audincourt en bouwt daar een nieuwe fabriek. In 1897 verlaten 54 auto’s de hallen, in het eerste jaar van de nieuwe eeuw zijn dat er al 500. Die komen overigens niet allemaal uit Audincourt, want omdat Peugeot daar niet voldoende gekwalificeerd personeel kan vinden, heeft hij een jaar eerder een tweede fabriek geopend, in het Noord-Franse Lille. 



Zakelijke misstappen
Ondanks het groeiende succes begint de twintigste eeuw moeizaam voor Armand Peugeot. In zijn door de aanvankelijke successen aangewakkerde enthousiasme en zelfvertrouwen maakt hij een paar zakelijke misstappen, die Peugeot Automobiles in de kiem dreigen te smoren. In die dagen is het onder de prille automerken gangbaar om aan beroemde wedstrijden mee te doen. Peugeot laat daar steken vallen, waardoor namen als Levassor en Panhard er met de sympathie van het publiek vandoor dreigen te gaan. Peugeot laat zijn voorkeur voor de vlak geplaatste motor varen en daarmee het concept van ‘gemotoriseerde koets’. Op de Parijse autosalon van 1904 toont hij de Type 69, door zijn beperkte afmetingen al gauw Bébé genaamd. Het kleine, betaalbare en gemakkelijk te rijden autootje blijkt een schot in de roos en betekent nieuw succes voor Peugeot.

Armands broer Eugène I mag dan een afkeer van auto’s hebben, inmiddels heeft hij het roer van Les Fils de Peugeot Frères overgedragen aan zijn drie zoons, Pierre I, Robert I en Jules II. De nieuwe generatie heeft een wat meer progressieve blik op de toekomst en zo kan het gebeuren dat op de Parijse salon van 1905 twee Peugeot-stands met auto’s te zien zijn. Armand heeft vooral grotere, krachtige modellen, terwijl zijn drie neven onder de naam Peugeot Lion kleine eencilinders tonen. De onderlinge concurrentie verloopt aanvankelijk wat stroef, maar familie blijft familie en al gauw verkoopt Peugeot Automobiles technische know-how aan Peugeot Lion. De crisis van 1907 kost ook in Frankrijk menig bedrijf de kop, maar Armand opent dat jaar een showroom aan de prestigieuze Avenue des Champs Elysées.

Toenadering
Desondanks moet Peugeot op zijn tellen passen. Twee broers uit Billancourt maken een snelle opmars en Renault schiet de beide Peugeots voorbij, zowel in de racerij als op de markt. Armand, wiens enige zoon Raymond op elfjarige leeftijd is overleden, heeft bovendien geen opvolging. Reden genoeg voor hem om weer toenadering tot de andere tak van de familie te zoeken. Eugène I, met wie de breuk ooit begon, is inmiddels ook dood. Na een serie ingewikkelde onderhandelingsronden ontstaat in februari 2010 de Société Anonyme des Automobiles et Cycles Peugeot, met Armand als president en de drie neven als directie.

In 1912 presenteert het nieuwe Peugeot de volgende generatie Bébé, ontworpen door een dan nog onbekende Italiaan die zich in de Elzas heeft gevestigd: Ettore Bugatti. Het blijkt een groot succes en ondertussen floreren de andere activiteiten, waaronder fietsen en bestelwagens, ook. Opnieuw is uitbreiding nodig en die vindt Peugeot in het dorp Sochaux, dat we tot op de dag van vandaag kennen als de hoofdvestiging van Peugeot. Robert neemt inmiddels steeds meer verantwoordelijkheden, terwijl Armand met zijn gezondheid begint te sukkelen. En ook met de wereldvrede gaat het bergafwaarts. Voordat Peugeot echt door kan starten, barst de bom en breekt de eerste wereldoorlog uit. Het conflict legt ook bij Peugeot de dagelijkse gang van zaken plat, doordat de fabrieken worden ingezet om oorlogsmaterieel te maken en de meeste mannen richting front verdwijnen, vaak zonder ooit nog terug te keren.

Dat betekent niet dat Peugeot stilstaat; integendeel. De oorlogsdruk vereist snellere productie en Robert stuurt een van zijn ingenieurs, Alfred Giauque, naar Detroit om te leren hoe de autofabrikanten daar te werk gaan. Giauque’s bevindingen vormen de basis voor de modernisering van de Peugeot-fabrieken, waar behalve auto’s voor het leger ook lichte tanks en ander wapentuig wordt gemaakt. Het vliegtuig, dat aanvankelijk alleen wordt ingezet om onbewapend de slagvelden te verkennen, krijgt al gauw wapens aan boord ter verdediging en groeit gedurende de Great War uit tot een geducht aanvalswapen. Peugeot levert motoren voor de Voisins, de dubbeldekkers waarmee Frankrijk de eerste oorlog in de lucht uitvocht.

Klappen
Wanneer vier jaar later het bloed opdroogt en het stof op de slagvelden neerdaalt, heeft Peugeot 10.000 vliegtuigmotoren gebouwd, naast 3.000 auto’s, 6.000 vrachtwagens, 2.000 tanks en talloze fietsen, motorfietsen en munitie. Peugeot heeft enorme klappen gekregen van de oorlog, maar ook geleerd op grote schaal en efficiënt te produceren.

Het is Robert die tijdens het interbellum Peugeot naar grote hoogte weet te leiden. In 1928 geeft hij het roer over aan zijn oudste zoon Jean-Pierre III, die de macht in 1959 overdraagt aan zijn enige zoon Roland. Tegenwoordig is het Xavier Peugeot, de jongste zoon van Rolands broer Pierre II, die de familie in ere houdt binnen PSA. Vier generaties nadat Armand tegen de wil van zijn neef in aan auto’s begon, omvat zijn nalatenschap de merken Peugeot, Citroën, DS, Opel en Vauxhall, samen goed voor meer dan 3,5 miljoen auto’s in 2017. Als Eugène dat geweten had toen zijn neef Armand in 1892 de deur in zijn gezicht dicht sloeg..

100 jaar Zuiderzeewet: het zeemonster getemd

Dit jaar is het precies een eeuw geleden dat de Nederlandse regering besloot dat de woeste, vernietigende Zuiderzee beteugeld moest worden. Het project was het begin van nieuw land waarop uiteindelijk ook Almere zou verrijzen. Maar de aanloop naar de Zuiderzeewet duurde vele malen langer en verliep zo mogelijk nog moeizamer dan de uitvoering van de werkzaamheden.

In de lente van 1918 wordt een besluit genomen dat ingrijpende gevolgen voor Nederland zal hebben en voor Flevoland en dus Almere in het bijzonder. Nadat de Tweede en Eerste Kamer hem hebben goedgekeurd, wordt de Zuiderzeewet in het Staatsblad afgekondigd en daarmee is deze raamwet officieel. Het gigantische project van inpoldering en drooglegging van de Zuiderzee kan beginnen. Het is een huzarenstuk waar vanuit de hele wereld nog steeds met ontzag naar wordt gekeken en dat ons een reputatie als meesters in het beheersen van water heeft bezorgd.
In de eeuwen die voorafgaan hebben de bewoners van de Zuiderzeekust een haat-liefdeverhouding met de binnenzee. Visserij is een belangrijke bron van inkomsten en bijna iedereen in plaatsen als Urk, Volendam, Vollenhove en Stavoren is er direct of indirect van afhankelijk. Maar toch, een goudmijn is het niet. Het leven in de vissersdorpen is voor de meesten armoedig en hard. Grote gezinnen leven in piepkleine huisjes die dicht opeen staan, alsof ze beschutting bij elkaar zoeken tegen de stormen die het gebied regelmatig teisteren. Ook wanneer de weersomstandigheden het eigenlijk te gevaarlijk maken, gaan de vissers de zee op; thuisblijven is met vele hongerige monden amper een optie. De lijsten met op zee gebleven mannen zijn dan ook schier eindeloos.
Ook zij die aan land blijven, zijn nooit veilig voor de toorn van de Zuiderzee. Soms vallen vloed en inlandige storm samen en zo’n stormvloed genaamde samenloop van omstandigheden slaat hele stukken uit de vissersdorpen, met talloze doden tot gevolg. Bijzonder berucht zijn de Allerheiligenvloed in november 1675 en de kerstvloed van 1717.

Internationale handelsvaart
De Zuiderzee brengt niet alleen kommer en kwel. Behalve de visserij vormt ook de internationale handelsvaart een bron van inkomsten. De talloze scheepswrakken die bij de drooglegging van Flevoland bloot komen de liggen, zijn daar stille getuigen van. Havensteden als Stavoren, Hindeloopen, Kampen en Elburg maken deel uit van de Hanze, een lucratief samenwerkingsverband dat een groot deel van de Oostzee en Noordzee beslaat. Dankzij de Zuiderzee bovendien ligt Amsterdam direct aan zee. Mensen en goederen worden met platbodems naar het eiland Pampus gebracht, van waar ze aan boord van de VOC-schepen de hele wereld over gaan.
Toch ontstaat in die tijd al het eerste plan om de Zuiderzee af te sluiten en in te polderen. Het is Hendrik Stevin, zoon van Simon Stevin, die in 1667 oppert om de kop van Noord Holland, de Waddeneilanden en Groningen middels dijken met elkaar te verbinden en het water weg te pompen om zo ‘het geweld en vergif der Noordzee uit Nederland te verdrijven’ en landbouwgrond te winnen. Een vooruitziende blik, zo weten wij nu, en de Stevinsluizen aan de zuidwestkant van de Afsluitdijk zijn dan ook naar hem vernoemd. Maar Stevin is zijn tijd té ver vooruit; zijn plannen zijn in de zeventiende eeuw nog technisch onmogelijk.



Plannen herleven
In februari 1825 wordt Nederland opnieuw getroffen door een grote stormvloed. Ditmaal laten 379 mensen het leven. Deze ramp doet echter de plannen om de Zuiderzee te temmen, herleven. Door de jaren heen maken diverse particulieren hun eigen plannen. Sommige blijken technisch onhaalbaar, andere zijn financieel niet rond te krijgen. Weer een ander vergeet rekening te houden met de afwatering van de IJssel, waardoor het sowieso niet uitvoerbaar is. Het plan Van Diggelen uit 1849 lijkt sterk op dat van Stevin, maar net als twee eeuwen eerder wordt het technisch niet haalbaar geacht de Waddeneilanden met elkaar te verbinden.
Ondertussen blijft de Zuiderzee bij tijd en wijlen op haar oevers beuken. Schokland, een eiland tussen het tegenwoordige Ens en Nagele, wordt letterlijk beetje bij beetje opgegeten en omdat de visserij vanaf begin negentiende eeuw amper meer rendabel is en het eiland keer op keer door dodelijke overstromingen wordt getroffen, verordonneert koning Willem III in 1859 dat het eiland definitief ontruimd wordt.

Verzet uit noordelijke provincies
In die dagen is er veel onenigheid over welk deel van de Zuiderzee precies dient te worden ingedamd. Plannen die alleen het zuidelijke deel betreffen zijn technisch en financieel haalbaarder, maar stuiten op verzet uit de noordelijke provincies, die zo onbeschermd zullen blijven. Age Buma, een liberaal tweede kamerlid uit Hindeloopen, een plaats die dreigt buiten de boot te vallen, dient daarom in 1883 een wetsvoorstel in om de hele Zuiderzee in te polderen. Dat voorstel haalt het niet en Buma zoekt vervolgens contact met Pieter van Diggelen, zoon van de bedenker van het plan uit 1849. Ze richten het Zuiderzeecomité op, dat in 1885 een fondsenwerving onder provincies en Zuiderzeeplaatsen houdt. Het leidt in de eerste week van 1885 tot de oprichting van de Zuiderzeevereeniging, bestaande uit 150 vertegenwoordigers van particulieren en overheden.

Vruchtbare grond
De vereniging roept een technisch bureau in het leven dat in de lente van 1887 het ruime sop kiest voor een bodemonderzoek. Opnieuw wordt geconcludeerd dat het afdammen van de Waddeneilanden niet mogelijk is; de getijdenstromingen zijn te sterk, de bodem van de eilanden te poreus. Maar ook blijkt de bodem van de oostelijke Zuiderzee erg vruchtbare grond te bevatten. In oktober van dat jaar krijgt een zeer bekwaam ingenieur van het bureau, Cornelis Lely, de leiding over het project. Hij bedenkt een dijk van Wieringen naar Friesland, ten zuiden van Harlingen, om de belangrijke havenfunctie van die stad niet in gevaar te brengen. Sluizen in die dijk moeten het probleem van de afwatering oplossen. Het Plan Lely vindt veel bijval en Lely stelt een staatscommissie in die de regering moet overtuigen. Dat hij sinds 1891 minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is, maakt een en ander er beslist gemakkelijker op. De commissie oordeelt positief, maar het kabinet valt voordat er een wetsvoorstel is. Twee kabinetten later zien we Lely opnieuw als minister van Waterstaat en in 1901 is er een wetsontwerp.
Opnieuw loopt het mis in Den Haag. Het nieuwe kabinet trekt het wetsvoorstel weer in, terwijl de golven nog steeds ongehinderd tegen de kust van de Zuiderzee beuken. Pas in 1913, wanneer Lely voor de derde keer minister wordt, lijkt er weer schot in de zaak te komen. Maar dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit en moeten alle politieke hens aan dek om de Nederlandse neutraliteit te behouden.



Meer landbouwgrond nodig
Toch blijken die oorlog en de neutraliteit al gauw te pleiten voor de inpoldering. Omdat Nederland als een enclave zit ingesloten tussen strijdende landen, worden we ons pijnlijk bewust van de noodzaak zelfvoorzienend te kunnen zijn, iets waarvoor meer landbouwgrond nodig is dan we hebben. De aardappeloproer van 1917, gevolg van de voedselschaarste, is daar een schrijnend voorbeeld van.
De stormvloed van 1916, die in de nacht van 13 op 14 januari een spoor van dood en vernietiging achterlaat in het gebied rond de Zuiderzee, trekt het gros van de laatste twijfelaars over de streep. Alleen de vissers en koningin Wilhelmina, die problemen voorziet voor de Hollandse Waterlinie, stribbelen nog tegen. Dat mag niet meer baten: op 14 juni 1918, nu honderd jaar geleden, wordt de Zuiderzeewet in het Staatsblad afgekondigd en daarmee is hij officieel. De weg naar een nieuw stuk Nederland ligt open, een stuk waarop te zijner tijd ook Almere verrijst. De spaden kunnen in de grond.

——————————–

Van Aelmere naar Zuiderzee naar IJsselmeer
De Zuiderzee ontstond 848 jaar geleden als gevolg van de Allerheiligenvloed van 1170. Tot die tijd was het Aelmere een zoetwatermeer. De stormvloed sloeg de duinen tussen het huidige Den Helder en Texel weg, waardoor een open verbinding met de Noordzee ontstond. Zout water drong het land binnen en veranderde het ecosysteem. Vanaf die tijd kregen de oevers van het voorheen rustige meer te maken met de toorn en het geweld van de zee. Doordat de Zuiderzee aan drie kanten was ingeklemd, kon het opgestuwde water bij noordwesterstorm geen kant uit en mede dat maakte deze binnenzee zo gevaarlijk en onberekenbaar. Pas in 1932, wanneer het laatste gat in de Afsluitdijk wordt gedicht, keert de rust terug. Na 762 jaar wordt de Zuiderzee IJsselmeer.

Dit artikel verscheen eerder in Lifestyle Almere 1/2018

Adam Opel, de man die auto’s haatte

’Zulke stinkhokken zullen nooit meer worden dan speelgoed voor miljonairs die niet weten hoe ze hun geld er doorheen moeten jagen.’ Adam Opel had een uitgesproken mening over de eerste auto’s en het is misschien maar goed dat hij nooit heeft meegemaakt dat zijn naam een wereldwijd vermaard automerk zou worden.

Om de wortels van zijn imperium te zien, moeten we terug naar de jaren zestig van de negentiende eeuw. In Parijs ziet slotenmakerzoon Adam Opel uit Rüsselsheim voor het eerst een naaimachine. Hij raakt gefascineerd door de complexe techniek daarvan en keert terug naar Duitsland om er zelf een te bouwen. In 1863 begint hij aan de serieproductie, samen met zijn jongere broer Georg. De Duitse naaimachines vinden gretig aftrek en al gauw zijn de gebroeders Opel te groot geworden voor de stal. De jonge onderneming verhuist naar een fabrieksgebouw en Adam betrekt de woning ernaast, samen met zijn kersverse echtgenote Sophie Marie Scheller. Deze in 1840 geboren dochter van een hoteleigenaar neemt niet alleen een flink kapitaal mee, maar ook een gezond financieel inzicht. Met haar degelijke, spaarzame inborst maakt ze van Opel een efficiënt draaiend bedrijf en ook thuis wordt elke pfennig driemaal omgedraaid. Ondertussen voegt de derde Opel-broer, Wilhelm, zich bij het bedrijf om de verkoop te doen, terwijl Georg de inkoopkant voor zijn rekening neemt.

Ondertussen blijft de naaimachinemaker niet bij zijn leest. Opel maakt ook machines voor de lokale wijnbouw. Wanneer de spanningen tussen Frankrijk en het Pruisische rijk in de zomer van 1870 escaleren tot de Frans-Duitse oorlog ontwikkelt Opel een speciale naaimachine om aan de gestegen vraag naar uniformen te voldoen. Ondanks het succes van Opel-naaimachines ligt Amerikaanse concurrentie op de loer. Opel pareert dat door naaimachines op afbetaling te gaan leveren. Sterker, de aanval is de beste verdediging, dus gaan Opel-naaimachines naar de Verenigde Staten en andere exportmarkten. Een daarvan is Frankrijk: in het land waar Opel ooit het idee kreeg om naaimachines te maken, zijn zijn machines nu kwalitatief superieur aan die van de Franse merken.

Terwijl in de jaren zeventig de Opel-naaimachines het fabriekspand uit vliegen, zien in de naastgelegen woning vijf zoons van Adam en Sophie het levenslicht: Carl in 1869, Wilhelm in 1871, Heinrich in 1873, Fritz in 1875 en op nieuwjaarsdag 1880 maakt de kleine Ludwig het gezin compleet.



Opnieuw is het in Parijs dat Adams aandacht wordt gegrepen, ditmaal door de vélocipède. Adam bestelt er een, maar maakt er meteen een pijnlijke val mee. Hij wil hem verkopen en dan merkt hij dat de belangstelling voor zijn tweewieler enorm is. Als zijn zoons hem aan zijn hoofd gaan zeuren om een fiets besluit hij dat er toekomst moet zitten in die verrekte tweewielers. Adam reist naar Engeland en verdiept zich daar in de fietsindustrie. Met de kennis die hij daar opdoet, begint hij aan zijn eigen fiets en in 1887 begint de serieproductie van Opel-fietsen. Het blijkt een goede zet. Fietsen wint razendsnel aan populariteit en Opel zeilt mee op die wind. Het enthousiasme is niet alleen zakelijk: de jonge Opels ontpoppen zich alle vijf als verdienstelijke wielrenners, waarmee ze de naam Opel in de fietswereld nog verder vestigen. Met name Carl, de oudste zoon, heeft veel succes in de ontluikende sport.

In diezelfde tijd, slechts enkele tientallen kilometers verderop, werkt ene Carl Benz aan zijn eerste benzinemotor. Adam Opel ziet er totaal niets in. “Zulke stinkhokken zullen nooit meer worden dan speelgoed voor miljonairs die niet weten hoe ze hun geld er doorheen moeten jagen”, zegt hij. Maar al zou hij wel toekomst hebben gezien in de automobiel, het lot geeft hem de tijd er niet voor. In september 1895, hij is nog maar 58 jaar, bezwijkt Adam Opel aan tyfus. Een ziekte die hij, hoe ironisch, opliep tijdens een zakenreis naar wat een eeuw later een typisch Opel-land zou zijn: ons eigen Nederland.

Aanvankelijk gaan de zaken nog goed, maar het aanbod groeit en in 1898 stort de markt in. De familie komt in crisisberaad bijeen, besluit dat er nieuwe productgroepen moeten worden aangeboord en dan wordt voor het eerst geopperd wat onder Adam waarschijnlijk nooit bespreekbaar was geweest: auto’s.

De zonen van Opel hebben hun oog al eerder laten vallen op de ontluikende auto-industrie, maar Sophie deelde de mening van haar overleden echtgenoot. Nu de nood aan de man is, herziet ze haar eerdere oordeel. Zoons Fritz en Wilhelm bezoeken de Berlijnse autotentoonstelling en de broers raken er aan de praat met Friedrich Lutzmann, één van de pioniers van de Duitse auto-industrie. Het klikt en de gebroeders Opel brengen een bezoek aan Lutzmanns bescheiden werkplaats in Dessau. Een overnamedeal is het gevolg, waarbij Friedrich Lutzmann een leidinggevende positie bij Opel krijgt. Het nieuwe model dat Lutzmann al had ontwikkeld, komt in het laatste jaar van de negentiende eeuw dan ook ter wereld als de Opel Patentmotorwagen System Lutzmann. In drie jaar tijd worden 65 exemplaren gebouwd van deze eerste Opel.

In 1901 pakken de gebroeders Opel opnieuw hun koffers. Ditmaal is de autosalon van Parijs het doel en daar leren ze dat de Franse industrie al een stuk verder is. Waar hun Patentmotorwagen nog een gemotoriseerd koetsje is van een twijfelachtige bouwkwaliteit, maken de Franse merken al ‘echte auto’s’. Hun besluit is snel genomen: de Lutzmann-Opel gaat uit productie en Lutzmann zelf mag op zoek gaan naar een nieuwe uitdaging.

De gebroeders Opel zien er weinig in om zonder enige ervaring vanuit het niets een auto te bouwen en gaan in zee met Louis Renault, voor wie ze importeur voor Duitsland worden. Die samenwerking is geen lang leven beschoren. Opel stapt vervolgens over naar Alexandre Darracq, een andere Franse pionier uit die dagen. De chassis van Darracq vormen de basis voor de Opel-modellen die volgen.

De gebroeders Opel gaan voortvarend aan de slag. Tegelijkertijd halen Fritz en Wilhelm een van de Darracqs tot de laatste schroef uit elkaar om hem daarna weer op te bouwen, met als resultaat een betere auto. Dat experiment leidt tot de 10/12 hp, die daarom wordt beschouwd als de eerste echte Opel. Ondertussen gaat ook de productie van Darracq-Opels door en die verwerven zo’n goede reputatie, dat ze ook buiten Duitsland afzet vinden en zelfs in Darracqs thuisland Frankrijk worden verkocht. Niettemin zijn de aantallen nog klein, mede omdat een auto in die tijd ver buiten het bereik van de gewone man ligt, en Opel besluit om ook (veel goedkopere) motorfietsen te gaan bouwen.

In 1906 heeft Opel de knowhow van Darracq niet langer nodig en verbreekt het de samenwerking. Inmiddels heeft Opel de marketingtruc die bij de fietsen zo goed werkte (succesvolle deelname aan races) ook op auto’s toegepast en met aan het stuur de getalenteerde coureur Carl Jörns slepen ook de automobielen van Opel overwinning na overwinning in de wacht. En terwijl auto’s nog een speeltje voor de rijken zijn, denkt Opel na over een goedkoop model om de automobiel te democratiseren. De vrucht is de Opel 4/8 PS uit 1909, die vooral onder huisartsen populair blijkt en daarom als Doktorwagen de geschiedenis ingaat. Het blijkt ook de doorstart van Opel als autofabrikant. In 1914 worden 3.400 auto’s verkocht en daarmee is Opel de grootste autofabrikant van Duitsland. Sophie maakt dat helaas niet meer mee. Ze sterft in de herfst van 1913 op 73-jarige leeftijd.



Opel heeft aan het begin van de twintigste eeuw het toenemende succes van de auto’s hard nodig. Behalve de fietswereld staat ook de markt voor naaimachines steeds verder onder druk. In 1911 wordt de miljoenste Opel-naaimachine geproduceerd, maar op dat feestje wordt niet geproost op het volgende miljoen. Integendeel: door de sterk toegenomen concurrentie is de spoeling te dun geworden om lekker geld te verdienen met de productie van naaimachines en dat, in combinatie met een brand die een groot deel van de fabriek in as legt, is reden voor Opel om er een punt achter te zetten. De snel groeiende auto-industrie krijgt echter een plotselinge klap. In de zomer van 1914 breekt de eerste Wereldoorlog uit. Een deel van het Opel-personeel moet naar het front, de rest wordt ingezet voor de oorlogsindustrie. Ludwig, de jongste van de vijf broers, sneuvelt in 1916 aan het oostfront. Wanneer na ruim vier jaar hel op aarde het stof op de loopgraven is neergedaald, wordt Rüsselsheim door de Fransen bezet.

Zoals veel industriëlen rijdt ook Opel een scheve schaats tijdens het naziregime

De verslagen en berooide Duitsers hebben in die dagen wel wat anders aan hun hoofd dan automobielen, maar algauw trekt de markt voor auto’s weer aan en Opel neemt de 5/14 HP, het vooroorlogse succesnummer met de bijnaam Puppchen, weer in productie, gevolgd door meer modellen. De inflatie slaat echter toe en in 1923 kost een Opel tussen de één en dertig miljoen Reichsmark. Wilhelm von Opel had voor de oorlog al plannen voor een lopende band.

In 1922 bezoekt hij opnieuw Henry Ford, ditmaal met zijn broer Fritz. Hij is het die in 1923 oppert om alle bestaande modellen uit productie te nemen en de hele fabriek om te bouwen voor een nieuw, in serie gebouwd model. Die ‘Duitse T-Ford’ wordt de 4/12 HP en is uitsluitend leverbaar in groen, wat hem de koosnaam Laubfrosch (boomkikker) oplevert. De auto is meteen erg succesvol. De crisis van 1925 nekt een derde van de Duitse autofabrikanten, maar Opel groeit. Het grote volume staat toe dat de prijs van aanvankelijk 4.500 mark kan dalen naar net geen twee mille in 1931. Datzelfde jaar steken echter twee geduchte rivalen de grote plas over. Zowel Ford als General Motors opent een vestiging in Berlijn.

Eind jaren twintig wordt Fritz von Opel benaderd door de Oostenrijkse wetenschapper Max Valier, die zijn hulp inroept bij het ontwikkelen van een raketmotor. Fritz ruikt publiciteit en stapt in, met als resultaat een samenwerking met raketbouwer Friedrich Sander. In mei 1928 tikt Fritz von Opel in de RAK 2 de 230 km/h aan. Lof en roem zijn zijn deel, maar nadat twee ritten in een explosie eindigen, verbiedt de overheid verdere experimenten. Von Opel denkt inmiddels een etappe verder en bouwt een raketmotor in een vliegtuig, waar hij uiteindelijk een kilometer of vier mee in de lucht weet te blijven, alvorens een noodlanding te moeten maken. Het toestel gaat verloren, maar Fritz, die inmiddels de bijnaam Raketen-Fritz heeft, weet ongeschonden uit het wrak te klimmen.

Het is onwaarschijnlijk dat Opel als zelfstandig familiebedrijf de beurskrach had overleefd

In die tijd begint het tij voor Opel te keren. Eind jaren twintig is het marktaandeel van Duitse auto’s in eigen land onder de zestig procent gedaald. Wilhelm von Opel is dan al in gesprek met GM over een mogelijke deelname in Opel. Aanvankelijk ziet GM dat niet zitten, maar in 1927 laten de Amerikanen weten heel Opel te willen kopen. Carl is dan net overleden, maar Wilhelm en Heinrich steken de hoofden bijeen en moeten erkennen dat ze als familiebedrijf op termijn niet opgewassen zijn tegen het volume van de Amerikaanse concurrenten. Heinrich sterft kort daarop en de twee overgebleven broers Wilhelm en Fritz (niet te verwarren met Raketen-Fritz) maken meer haast met de verkoopplannen. In oktober 1928 reist een aantal GM-managers door Europa en raakt onder de indruk van de Opel-fabriek.

In maart van het daaropvolgende jaar vinden in Berlijn de laatste onderhandelingen plaats, waarna GM met een kleine 26 miljoen dollar voor tachtig procent eigenaar wordt van Opel, met een optie op de resterende twintig procent. Voor Opel een gelukstreffer, want op 29 oktober van dat jaar leidt de Amerikaanse beurskrach tot een wereldwijde recessie. Het is onwaarschijnlijk dat Opel als zelfstandig familiebedrijf de crisis had overleefd.

Christina Putzi von Opel
Christina ‘Putzi’ von Opel

Het voormalige familiebedrijf is Amerikaans eigendom, een situatie die, zo weten we nu, 88 jaar onveranderd zal blijven. Fritz sterft in 1938 op 63-jarige leeftijd en vanaf dat moment is Wilhelm de laatst overgebleven zoon van Adam Opel. Zoals veel grootheden uit de auto-industrie rijdt ook Wilhelm tijdens de nazitijd een scheve schaats. Hij wordt in 1933 lid van de NSDAP en financiert de partij, iets wat hem na de oorlog op een veroordeling als meeloper komt te staan. Zijn zoon Raketen-Fritz heeft Duitsland aan het begin van de oorlog al verlaten en wordt in New York vader van de latere F1-coureur Rikky von Opel.

Het is ook voornamelijk die tak van de familie die later nog van zich doet spreken. Rikky’s zus Christine, bijgenaamd Putzi, wordt in dure Zwitserse internaten opgevoed. In de jaren zeventig geldt ze als de playgirl van St. Tropez. Ze raakt verwikkeld in drugssmokkel en wordt uiteindelijk, ze weegt dan door veelvuldig cocaïnegebruik nog maar 37 kilo, door haar neef Günther uit de penarie getrokken. In 2006 overlijdt ze, 55 jaar oud, wanneer haar auto door een vloedgolf wordt meegesleurd.

Günther Sachs
Günther Sachs

Ook neef Günther Sachs, zoon uit het huwelijk tussen Wilhelms dochter Eleonore met de kogellagergigant Willy Sachs, ontpopt zich dankzij het familiekapitaal tot een playboy van formaat. Tussen 1966 en 1969 is hij getrouwd met Brigitte Bardot, die hij later inruilt voor fotomodel Mirja Larsson. De rest van zijn tijd vult hij met fotografie, sporten, schrijven en kunst. In 2011 wordt hij terminaal ziek en drukt hij, voordat Magere Hein dat kan doen, zelf op de stopknop.

Carls zoon Georg is niet vies van een potje inteelt en trouwt zijn nicht Eleonore, dochter van Heinrich en een bekende springruiter. Ze krijgen twee zoons, die samen met hun moeder een chipsfabriek beginnen. Georg scheidt van zijn nicht en hertrouwt met de 33 jaar jongere Sigrid. Hun zoon Georg is tegenwoordig een bekende miljardair en woont met vrouw en vijf kinderen in Zwitserland.

Opel mag dan al decennia lang niet meer van de Opeltjes zijn, de uitgebreide familie geniet tot de dag van vandaag van de vruchten van het noeste werk van Adam, Sophie en hun vijf zonen.

Dit verhaal verscheen eerder in AutoWeek



De Hatfield-McCoy-vete: burenruzie werd bloedige oorlog

In het Amerika van de 19e eeuw nam menigeen het recht in eigen handen, soms zelfs door de rechterlijke macht naar eigen hand te zetten. Deze halfslachtige anarchie had talloze, vaak lang slepende conflicten tot gevolg. De kwestie Hatfield-McCoy groeide uit tot een legende binnen de Amerikaanse geschiedenis.

Asa Harmon McCoy

Het is 7 januari 1865 in Pike County, Kentucky. De Amerikaanse burgeroorlog loopt tegen het einde en de 37-jarige soldaat Asa Harman McCoy is na lange tijd weer thuis. Bijna anderhalf jaar vocht hij aan de kant van de Union, de noordelijke staten, en dat is bijzonder omdat de meeste mensen uit zijn omgeving voor de Confederates, de zuidelijke staten, zijn. Dertien dagen geleden is hij afgemonsterd en Harman prijst zich gelukkig. Hij raakte gewond en krijgsgevangen, maar de burgeroorlog heeft zijn leven gespaard en hij kan weer verder in de rust en veiligheid van vrouw en kinderen.

Maar zijn euforie blijkt te voorbarig. Harman door vier geconfedereerde guerilla’s in een hinderlaag gelokt en vermoord. Zijn strijd voor de tegenpartij wordt als verraad gezien en als zodanig bestraft.

De moord blijkt de lont in een al langer bestaand kruitvat. De McCoys wijzen naar James Vence als degene die de trekker overhaalde en dat is de oom van William Anderson Hatfield, bijgenaamd Devil Anse en hoofd van de Hatfield familie uit het aangrenzende West Virginia, waarmee de McCoys al langere tijd op gespannen voet leven. Devil Anse staat bekend als een gemene, gewetenloze klootzak en heeft twee jaar eerder de aanvoerder van een noordelijke legereenheid, die een vriend van hem zou hebben verwond, laten vermoorden.

Randolph McCoy

De Hatfields zijn dankzij de houtzagerijen van familiehoofd Anse redelijk gefortuneerd en hebben daardoor politieke invloed. De oorspronkelijk uit Ierland en Schotland afkomstige McCoys, onder leiding van Randolph McCoy, bijnaam Ole Ran’l, hebben het met hun boerenbedrijven in Kentucky wat minder breed.

De aantijgingen aan het adres van James Vence worden nooit bewezen, maar de spanning tussen beide families is nog verder opgelopen en de Big Sandy River, de stroom die de leefgebieden van de Hatfields en de McCoys van elkaar scheidt, is een soort IJzeren Gordijn avant la lettre.

Dertien jaar lang blijft de Hatfield-McCoy Feut een koude oorlog, maar in 1878 barst de bom. Randolph McCoy beschuldigt Floyd Hatfield, een neef van Devil Anse, van diefstal van een varken. De zaak komt voor de rechter, maar dat is een lid van de Hatfield-familie en hij beslist dan ook ten gunste van de Hatfields. De woede bij de McCoys is zo groot dat twee broers, Sam en Paris McCoy, de getuige die de doorslaggevende verklaring aflegde, vermoorden.

Roseanna McCoy

Of het allemaal nog niet gecompliceerd genoeg is, begint Anse’s zoon Johnse een relatie met Roseanna, dochter van Randolph McCoy. Deze romance tussen kinderen van beide familiehoofden zou een verzoenend effect gehad kunnen hebben op de vete, maar het pakt precies tegengesteld uit. Roseanna McCoy trekt in bij de Hatfields, maar de relatie verloopt moeizaam en ze keert al gauw met hangende pootjes terug naar haar ouderlijke huis. Wanneer Johnse pogingen onderneemt de inmiddels zwangere Roseanna weer voor zich te winnen, regelen de McCoys dat hij in Kentucky wordt gearresteerd op verdenking van dranksmokkel.

Johnse Hatfield

Roseanna vlucht naar Anse Hatfield om hem te waarschuwen en de Hatfields ondernemen daarop een geslaagde bevrijdingspoging. Johnse is terug in West Virginia dankzij Roseanna, die haar eigen familie voor hem verraadde. Veel dankbaarheid hoeft ze niet te verwachten: Johnse knoopt een relatie aan met Roseanna’s nicht Nancy McCoy en trouwt in 1881 met haar.

Een jaar later slaat de vlam opnieuw in de pan. Drie broers van Roseanna McCoy raken slaags met twee broers van Anse Hatfield. Er komen messen en pistolen aan te pas en Ellison Hatfield wordt levensgevaarlijk gewond. De drie McCoy-broers worden gearresteerd en op transport gezet om te worden berecht, maar Anse weet het transport te onderscheppen en kidnapt de gevangenen. Wanneer Ellison aan zijn verwondingen bezwijkt, laat Anse de drie broers executeren.



Anse en zijn handlangers worden aangeklaagd, maar weten onder arrestatie uit te komen. Woedend nemen de McCoys een advocaat in de arm, maar die kan weinig uitrichten. In de jaren die volgen vinden enkele incidenten plaats, maar de absolute escalatie van het conflict gebeurt in de vroege ochtend van nieuwjaar 1888. Een van de Hatfields, Cap, trommelt samen met James Vance, de man die de eerste moord in deze vete zou hebben gepleegd, een legertje mannen op. Ze omsingelen het huis van de McCoys met als doel Randolph te pakken te krijgen. Ze doorzeven het huis met kogels, waarbij twee dochters het leven laten. Daarna steken de Hatfields de woning in brand, maar Randolph weet met de overgebleven kinderen te ontsnappen. Zijn vrouw valt wel in handen van de vijand en wordt zwaar mishandeld.

Voor zowel West Virginia als Kentucky, die de jarenlang slepende, bloedige vete met lede ogen hebben aangezien, is de maat nu vol. Deputy sheriff Frank Phillips uit Kentucky (dus aan de kant van McCoy) jaagt met hulp van een troep mannen de bende van Hatfield op en weet James Vance te doden en enkele Hatfields gevangen te nemen. De rest treft hij op 19 januari aan bij Grapevine Creek, waar zich een ware veldslag tussen de mannen van Phillips en de Hatfield-bende. Twee Hatfield en een sympathisant worden gedood voordat de rest kan worden ingerekend.

Executie van Ellison Mount

Acht Hatfields en Hatfield-gezinden moeten voor de rechter verschijnen en worden aangeklaagd voor een hele reeks misdrijven, waarvan de meest zwaarwegende de executie van de drie McCoy-broers en de moord op Randolph McCoy’s dochters tijdens het nieuwjaarsbloedbad zijn. Zeven mannen krijgen levenslang. Ellison “Cottontop” Mount, van wie bewezen wordt dat hij de kogel afvuurde die McCoy’s dochter Alifair doodde, krijgt de strop.



De spraakmakende rechtszaak krijgt voor elkaar wat een kwart eeuw moorden en geweld niet wist te bereiken. De Hatfield en de McCoys zijn het vechten zat en begraven de strijdbijl. Maar vergeten is de vete nooit. Tot op de dag van vandaag maakt de legendarische ‘Hatfield-McCoy Feud’ een belangrijk deel uit van de Amerikaanse 19e eeuwse geschiedenis.

Familieportret van de Hatfieldjes

En, voor zover ze de vete overleefden, de hoofdrolspelers? Randolph McCoy sterft in 1914 op 88-jarige leeftijd door een keukenbrand. Devil Anse delft in 1921 het onderspit tegen een longontsteking, hij is dan 81. Roseanna McCoy tenslotte wordt nooit misses Hatfield. Ze bevalt van Johnse’s onwettige kind, dat zes maanden oud overlijdt aan de mazelen. Zelf bezwijkt Roseanna in 1889, pas 29 jaar oud, aan een onbekende ziekte.

Van kaartspel tot diplomatieke rel: de affaire Von Königsmarck

In 1856 loopt een onschuldige potje kaarten van een groepje heren van stand volledig uit de hand. De slepende vete die er op volgt dreigt zelfs de diplomatieke betrekkingen tussen de Nederlanden en Pruisen te doen wankelen. Wie waren de Limburgse baron en de Pruisische graaf om zo’n rel te veroorzaken met hun haantjesgedrag?

kessel van der drift nostalgium keverbergHet begon allemaal op een dinsdagavond in maart 1856. De 30-jarige Limburgse baron Frederik van Keverberg van Kessel, voor vrienden Frits, was op bezoek bij zijn vriend jonkheer Theodoor Boreel in ’s-Gravenhage, waar een groepje aristocraten bijeen was voor een avondje kaartspelen. De baron speelde mee en stond na enkele ronden aardig op winst, toen hij graaf Adolf, de 26-jarige neef van de Pruisische gezant in Nederland die naast hem zat, twee kaarten onder het tafelkleed uit zag halen. Hij deed het met grote behendigheid, maar niet snel genoeg om Frits te misleiden.
Frits stond op, gooide zijn kaarten met een theatraal gebaar op tafel, wees op zijn buurman, wachtte tot hij de onverdeelde aandacht van het gezelschap had en sprak toen langzaam, maar indringend: ‘U speelt vals, waarde graaf!’

Graaf Adolf reageerde verbijsterd, maar kon niet uitleggen waar de twee kaarten die hij plotseling in zijn bezit had vandaan kwamen. Theodoor, die als gastheer de dreigende ruzie de kop in wilde drukken, gelukte het evenmin om terugrekenend de plotseling opgedoken kaarten binnen de regels van het spel te verklaren.
Von Königsmarck kwam nu ook uit zijn stoel omhoog. Het was een grote man, maar niet zo rijzig als Frits. Zijn gitzwarte snor en puntsikje waren zorgvuldig gemodelleerd. Hij blies de rook van zijn sigaar in de richting van Frits, die hem stoïcijns aan stond te kijken.
‘U beschuldigt mij, baron? Heeft u enig idee tegen wie u het heeft?’
Frits glimlachte minzaam. ‘Jazeker. Ik richt mijn terechte aantijging tot een neefje van een Pruisische diplomaat. Niemand minder, en vooral: niemand meer.’
Adolf, die in zijn eigen land gewend was met het grootste respect te worden bejegend, wist niet wat hem overkwam. Een baron uit een Limburgs dorp die hem zo aansprak. Zijn gezicht werd een paar tinten roder. ‘Ik eis excuses. Baron.’ Hij benadrukte het woord baron, alsof het een vernedering was.

Voordat Frits kon antwoorden, kwam Theodoor tussenbeide. ‘Heren, respecteert u alstublieft de regels van mijn gastvrijheid. Ik tolereer aantijgingen noch beledigingen onder mijn dak.’
Beide kemphanen zwegen, maar ze lieten elkaars blikken niet los. De overige aanwezigen keken geïrriteerd toe, nu hun spel onderbroken was.
‘Geeft elkander de hand, slechts dan zal ik het spel doen hervatten.’
Frits stak zijn hand uit. Adolf vreesde de woede van de rest, aangezien hij op zijn minst de schijn tegen had, en schudde de hand van baron Frits, met onverhulde tegenzin. Het spel werd opnieuw gestart, Von Königsmarck speelde niet meer vals (of wist dat nu beter te verbergen) en verloor een aanzienlijk bedrag aan de baron, wat hem des te meer irriteerde gezien het voorval eerder die avond. Hij had een belediging van de Limburgse dorpsbaron geïncasseerd, daarvoor niet eens excuses gekregen en kon de stille spot daarover van de overige aanwezigen bijna ruiken.
Toen baron Frits de volgende dag zijn geld in ontvangst nam en de graaf daarvoor een kwitantie gaf, ging hij er vanuit nooit meer wat van de Pruisische graaf te vernemen. Maar daar had hij zich in vergist, bleek al gauw.
(het verhaal gaat door onder de advertentie)




Enkele dagen na zijn terugkeer op zijn kasteel in het Noord-Limburgse Kessel kreeg Frits post uit ’s-Gravenhage, gestempeld op de Pruisische gezantschap. De brief was kort en bondig. Graaf Adolf Hans Joseph von Königsmarck, luitenant der kurassiers en militair attaché, waren geruchten ter ore gekomen over de vernedering die hij zou hebben moeten ondergaan tijdens de avond ten huize van jonkheer Boreel. Deze kwaadspraak noopte hem er toe baron Frederik van Keverberg van Kessel uit te dagen tot een duel.
Frits was geschokt over deze onbesuisde reactie en deed melding bij de bevoegde macht in ’s-Gravenhage. Begin april leidde dit tot een verzoeningsbijeenkomst, waarin onder druk van twaalf hooggeplaatste getuigen Frits en Adolf elkaar opnieuw de hand reikten. Er werd een document opgesteld waarin de kwestie gesloten en onherroepelijk werd verklaard. Beide opponenten moesten plechtig beloven nooit meer op deze zaak terug te komen.

Maar opnieuw werden eerdere afspraken geschonden. In oktober van dat jaar keerde Von Königsmarck terug naar zijn regiment in Brandenburg. Daar rapporteerde hij het voorval aan zijn medeofficieren, die hem op niet mis te verstane wijze te kennen gaven dat ze vonden dat de graaf zich door die Nederlanders af had laten poeieren, waarmee hij niet alleen zichzelf, maar ook het hele Pruisische rijk te schande had gemaakt. De regimentscommandant beval Von Königsmarck om alsnog van Van Keverberg te eisen dat hij zijn aantijgingen over vals spel schriftelijk in zou trekken.

De Pruisische graaf deed wat hem was opgedragen en eiste rectificatie. Baron Frits weigerde, omdat het in strijd zou zijn met de eerder getekende verklaring, waardoor de eer van de getuigen die deze hadden ondertekend aangetast zou worden. De Haagse gezant van Pruisen, Adolfs oom Hans, verzocht daarop baron Frits om een gesprek aan te gaan. Frits ging akkoord en het treffen vond in november 1856 plaats in een hotel in Düsseldorf. Hans von Königsmarck overhandigde Frits een concept verklaring, waarin stond dat Frits nooit de intentie had gehad de graaf te beledigen en dat het hem ten zeerste speet dat zijn woorden die avond als zodanig waren uitgelegd. Frits weigerde aanvankelijk te tekenen, maar de Pruisische gezant wist hem toch te overtuigen door de zeggen dat Frederik, prins der Nederlanden, het concept had gezien en te kennen had gegeven dat het hem zeer behagen zou wanneer hiermee deze ongemakkelijke, voor de diplomatieke betrekkingen mogelijk schadelijke kwestie kon worden opgelost. Bovendien zegde Von Königsmarck toe dat de verklaring uitsluitend aan de commandant in Brandenburg en Adolfs vader getoond zou worden. Baron Frits besloot daarom eieren voor zijn geld te kiezen en ondertekende de verklaring.

Ook ditmaal bleek de laag zand erover niet bestand tegen de opgestoken storm. In de eerste dagen van 1857 kwam Frits ter ore dat zijn verklaring ook aan Adolfs medeofficieren was getoond. Bovendien bleek dat prins Frederik der Nederlanden het concept, anders dan de Pruisische gezant had beweerd, nimmer had gezien.
Baron Frits voelde zich te grazen genomen en nu was hij degene die op wraak zon. Hij schreef een pamflet waarin hij de schimmige gang van zaken in de openbaarheid bracht. Het schrift werd verspreid vanuit Place Royal, de sociëteit bij de Gevangenenpoort, waar Frits’ Haagse vriendenkring in die dagen vaak te vinden was. Het pamflet bereikte de minister van buitenlandse zaken Daniël Gevers van Endegeest, die de gang van zaken hekelde en zijn beklag deed bij zijn collega van justitie, Justinus van der Brugghen. Tegelijkertijd ergerde gezant Hans von Königsmarck zich mateloos aan de schande die hem in Den Haag ten deel viel door het conflict waar zijn neef in verzand was. In de wandelgangen deden verhalen de ronde dat er Nederlanders waren die de Pruisische gezant kwaad wilden doen en de ruiten van zijn residentie wilden ingooien.

Op 23 maart 1857 ontving baron Frits een tweede uitdaging van graaf Adolf van Königsmarck, ditmaal nam Frits de handschoen op. Het duel op pistool zou vijf dagen later plaatsvinden in Hannover. Beiden zouden op zaterdag 28 maart met hun secondanten afreizen naar Hannover, slechts een van beiden zou die plaats levend verlaten. De graaf toog de bewuste dag met zijn secondanten naar de afgesproken plek, maar dat bleek tevergeefs. Baron Van Keverberg liet per brief weten verhinderd te zijn, maar stelde een nieuwe datum en plaats voor.



Ondertussen liepen in ’s-Gravenhage de spanningen steeds verder op. Gezant von Königsmarck werd op straat bekogeld door aanhangers van baron Frits en zijn vrouw was door hen uitgescholden, waarna Hans een officiële klacht indiende en zijn regering in Berlijn inlichtte over Frits’ lasterlijke pamflet. De Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV nam de kwestie hoog op; zijn hoogste vertegenwoordiger in het koninkrijk der Nederlanden was publiekelijk te kakken gezet. Hij drong via zijn eerste minister aan op een rechtszaak, maar de Nederlandse minister Gevers van Endegeest was bang dat zo’n proces het aanzien van Von Königsmarck alleen maar verder zou schaden. Terwijl een potje kaarten uitliep in een diplomatieke rel op koninklijk niveau, genoot de recalcitrante baron Frits in zijn kasteel van de orkaan die zijn scheet had veroorzaakt.
Uiteindelijk zag de Nederlandse regering geen andere weg meer dan Van Keverberg te dagvaarden, maar het diplomatieke gesteggel bleek langer te hebben geduurd dan de verjaringstermijn voor een dergelijke kwestie, zodat baron Frits door de bel werd gered. Een diplomatieke bom van formaat was uitgegaan als een nachtkaars.

Maar niet voor graaf Von Königsmarck, wiens rancune onblusbaar leek. Nadat hem duidelijk was dat hij nooit zou duelleren met baron Van Keverberg, richtte hij zijn pijlen op vrienden van Frits. Een daarvan werd later tot een duel uitgedaagd en Jonkheer Theodoor Boreel, in wiens huis de ruzie ooit begon, werd aan boord van een schip in Rotterdam door Adolf afgetuigd, met de bedoeling zo een duel uit te lokken. Boreel liet zijn aanstaande reis naar Nederlands-Indië niet verpesten door de rancuneuze graaf en stak van wal.

En baron Frits, de man die aan de oorsprong van de rel stond? Het is niet bekend of hij ooit nog wat van graaf Adolf von Königsmarck hoorde. Wel weten we dat de baron op een avond, omtrent 1874, zittend aan zijn bureau van buiten werd beschoten. De aanslag mislukte en de dader is nooit opgespoord, maar het is niet ondenkbaar dat het de kogel was die de Pruisische graaf vijftien jaar eerder op Frits af had willen vuren.

Meer weten over baron Frederik van Keverberg van Kessel? Lees hier over het mysterie van zijn verdwenen lichaam. Ook is er een roman in de maak waarin de affaire Von Königsmarck en baron Frits een rol spelen. Lees hier de synopsis.

Het vergeten moordkoppel

In de lente van 1803 staat een echtpaar uit Katwijk terecht voor een reeks gruwelijke misdaden. Aanvankelijk ontkennen ze alles, maar al gauw beginnen Johannis Knötz en Maartje Haasbroek naar elkaar te wijzen en blijken ze meer op hun kerfstok te hebben dan de rechtbank voor mogelijk had gehouden. Hoe een jong, pasgetrouwd stel het moordkoppel van het 19e eeuwse Katwijk werd.

Nostalgium Frank JacobsDonderdagavond 16 maart 1798 wordt in een sloot naast de Noordwijksche Weg bij Katwijk aan den Rijn het lichaam van een door geweld om het leven gebrachte man gevonden. Lijkschouwing wijst uit dat hij zeven zware verwondingen heeft die hem fataal zijn geworden. Korte tijd later wordt een stuk verderop een mand met schoenen gevonden en wordt duidelijk dat het slachtoffer de uit Loon op Zand afkomstige Cornelis Verster is, een rondreizende schoenenhandelaar.

De moord blijft vijf jaar onopgelost, maar wordt opnieuw opgerakeld wanneer in februari 1803 de Katwijker Johannes de Wolff wordt vermist. De Wolff is in de kost bij een familie sinds hij en zijn vrouw in onmin zijn geraakt. De avond van zijn verdwijning, 20 februari, had hij tegen zijn gastheer gezegd: “Ik ga naar Jan Knies.” Dat is de vernederlandste naam van Johannis Knötz, een oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige kleermaker, die in 1797 is getrouwd met Maartje Haasbroek en sindsdien met haar in Katwijk aan den Rijn woont, in een van de vermiste Johannes de Wolff gehuurd huisje. Die woning wordt na de verklaring doorzocht, maar er wordt, op twee zakjes geld onder het bedstro na, niets verdachts gevonden.

Er wordt een beloning uitgeloofd voor wie De Wolff opspoort, levend of dood. Die prijs gaat uiteindelijk naar een voerman uit Katwijk aan Zee, die op 14 mei, tijdens het maaien van gras voor zijn paarden, het de slip van een jas bloot legt. Hij blijkt het ingegraven lichaam van De Wolff te hebben gevonden. Het is na drie maanden flink ontbonden en kan alleen nog aan de kleding worden geïdentificeerd. Zijn hals is doorgesneden en zijn hoofd zit nog aan het lichaam vast met een stuk ‘omtrent vier vingeren breedte’.

Bij de lijkschouwing is ook Knötz aanwezig en deze kan zijn ontsteltenis bij het aanzien van het lijk niet verhullen. De baljuw laat daarop Knötz en zijn vrouw Maartje door de rechtbank verhoren. Beiden verklaren dat De Wolff weliswaar bij ze aan de deur is geweest, maar dat hij die avond niet binnen is gekomen. Op zich reden om geen verdere rechtsvervolging in te stellen, maar Maartje Haasbroek zat eerder dat jaar al eens vast op verdenking van diefstal van een schaar met zilveren ketting. Toen ze vanuit de gevangenis een rok naar haar man wilde sturen, omdat die vuil zou zijn, werd in de zoom daarvan een aantal geldstukken aangetroffen. Maartje verklaarde dat ze het geld van haar man had gekregen, zonder te weten hoe hij er aan was gekomen.

Om die reden blijft het echtpaar Knötz verdacht en Jan verdwijnt achter de tralies. Opnieuw wordt het huisje doorzocht en ditmaal met succes; in de aardappelkelder treft de Vierschaar (lokaal gerechtelijk bestuur) een losse steen aan, met daar onder, gewikkeld in een kous, de zilveren gespen en horloge van de vermoorde Johannes de Wolff. Hiermee geconfronteerd zegt Knötz de spullen als van De Wolff te herkennen, maar dat hij geen idee heeft hoe ze in zijn huis zijn geraakt. Wel vertelt hij zijn verhoorders dat zijn vrouw misdadig is en zich met leugens ophoudt.



Maartje begint ondertussen ook los te komen. Ze verklaart dat haar echtgenoot De Wolff op zondagavond in hun keuken heeft vermoord. Een ruzie over geld zou de aanleiding zijn geweest. Tijdens de daad had Maartje zich met hun vier kleine kinderen in de slaapkamer teruggetrokken. Knötz had het bloed opgeruimd en haar doen beloven er nooit over te spreken. Nu ze eenmaal op haar praatstoel zit, is Maartje niet meer te remmen. Ze beschuldigt haar man van diverse diefstallen en schuift hem de vijf jaar oude, onopgeloste moord op de handelsreiziger Cornelis Verster in de schoenen. Op donderdagavond 16 maart 1798 had ze van de man een paar muiltjes gekocht. Toen ze in een andere ruimte naar geld zocht om hem te betalen, had haar man toegeslagen, het lijk in het varkenshok gelegd om het de volgende ochtend met een karretje te laten verdwijnen.

Jan Knötz wordt met de belastende verklaring geconfronteerd, ditmaal door twee Lutherse predikanten uit Leiden. Een beroep doen op Knötz’ religieuze geweten sorteert misschien meer effect, zo hoopt Van Royen, de met de zaak belaste baljuw van beide Katwijken.

Ondertussen vertelt Maartje aan haar ondervragers dat haar man een met ijzer beslagen kistje van De Wolff aan stukken had geslagen en haar had opgedragen de brokstukken in de sloot te gooien. Dat ijzerbeslag wordt aan Knötz getoond, waarop hij inschikt en toezegt de waarheid te vertellen.

Knötz geeft nu toe het kistje uit het huis van De Wolff te hebben gestolen. Maar, zo zegt hij, daar waren verzachtende omstandigheden voor. Hij had zijn huisbaas met zijn vrouw in bed aangetroffen. Daardoor was hij in woede ontstoken en had hij De Wolff enkele klappen gegeven. Het was Maartje echter, zo stelt Knötz, die het slachtoffer de hals doorsneed. Samen hadden ze het lijk verstopt. De moord op handelsreiziger Verster echter blijft hij ontkennen, ook wanneer hij ten overstaan van zijn vrouw wordt verhoord. Hij blijft ook bij zijn bewering dat zij De Wolffs hals heeft doorgesneden, hoewel er bij de lijkschouwing geen kneuzingen zijn gevonden die de volgens Knötz aan de moord voorafgaande klappen zouden hebben moeten achterlaten.

Drie dagen later getuigt Knötz – op zijn eigen verzoek – tegen zijn vrouw, eveneens in haar aanwezigheid. Hij volhardt ook dan in zijn bewering dat hij haar met het slachtoffer in bed betrapte, maar zegt nu dat het zijn idee was De Wolff de hals door te snijden. Ook verklaart hij ditmaal dat hij zelf het bloed opruimde, het lijk in de schuur legde en naar het huis van het slachtoffer ging om er spullen weg te nemen. De rechter twijfelt aan deze bekentenis en vermoedt dat Knötz, door zijn vrouw gedeeltelijk te ontlasten, haar zal doen bewegen het deel van overspel te bevestigen, waardoor Knötz meer begrip van de rechtbank zal krijgen voor zijn daad en mogelijk de doodstraf ontloopt.

Wat de rechter het liefst hoort is een bekentenis van de moord op Cornelis Verster. De tabaksdoos die bij Knötz gevonden is, heeft hij van een vriend uit Alkmaar gekocht, zegt hij. Dat de vader van het slachtoffer die doos herkent als van zijn zoon, brengt Knötz aanvankelijk niet van zijn stuk.

Kort daarop echter zegt Knötz tegen een cipier dat hij bereid is alles te bekennen. De baljuw wordt geïnformeerd en die belegt meteen een nieuwe zitting. Knötz zegt misleid te zijn geweest, maar nu klaar te zijn voor een ‘oprechte belijdenis’. Armoede heeft zijn vrouw en hemzelf doen besluiten hun omstandigheden te verbeteren. Daarin waren ze zo ver gegaan dat ze waren overeengekomen dat Maartje tegen betaling overspel zou plegen. Ook geeft Knötz ditmaal toe bij de oude, onopgeloste moord betrokken te zijn.

De schoenenverkoper had de avond van zijn dood  inderdaad bij het stel aangeklopt, aldus Knötz. Maartje had hem binnen gevraagd en in de keuken een paar muiltjes uitgekozen. Ze had haar man om geld gevraagd en toen Knötz antwoordde dat niet te hebben, had Maartje haar man gevraagd de verkoper dan maar ‘om hals’ te brengen. Knötz had gehoorzaamd, zegt hij, en met een hakmes een einde gemaakt aan het leven van de handelsreiziger uit Loon op Zand.

Samen met zijn vrouw had Knötz het lijk in een turfhok gelegd, waarna zij de mand met schoenen in de kelder had verstopt. Die nacht hadden ze het lichaam in het Mallegat, een kanaal bij Katwijk aan Zee, willen gooien. Maar de waakhonden van een naburige blekerij sloegen aan, dus dumpten ze Cornelis in een sloot langs de weg. Om de indruk te wekken dat hij onderweg was vermoord, zetten ze zijn mand met koopwaar een paar dagen later in de berm.

Nu hij ook de tweede moord heeft bekend, lijkt Knötz geen remmingen meer te hebben. Hij herroept zijn eerdere verklaringen en zegt nu dat hij De Wolff niet met zijn vrouw in bed, maar bij de haard heeft aangetroffen. Hij zocht daarop ruzie met zijn huurbaas, sloeg hem met een persijzer op het hoofd en sneed vervolgens eigenhandig de keel van zijn slachtoffer door, om vervolgens diens huis te plunderen. Twee dagen later verstopte hij het lijk op de plek waar de voerman uit Katwijk aan Zee het drie maanden later zou vinden. De diefstallen, waarvan zijn vrouw hem eerder beschuldigde, bekent Knötz nu ook.



Guilty as sinn dus, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. Maar Maartje Haasbroek heeft ook niet wat je noemt schone handen. Nu is het aan de baljuw om te bepalen wat de vrouw allemaal ten laste gelegd kan worden. Heeft ze eerder niet een schaar met zilveren ketting gestolen? Ook heeft ze ooit van het bleekveld van haar bloedeigen moeder een beddenlaken ontvreemd. Ze vertelt bovendien dat de huurbaas tijdens hun eerste huwelijksjaar ‘onbetamelijke aanzoeken’ heeft gedaan, maar dat hij die, na door haar te zijn afgewezen, nooit heeft herhaald.

Knötz verklaart bovendien nog even dat Maartje en hij eerder plannen hebben gemaakt om haar vader te vermoorden. Maartjes ouders dreigden te gaan scheiden en zo kon het jonge stel hun erfenis eerder veiligstellen. Alleen het afketsen van die scheiding maakte dat het moordplan niet doorging. Verder vertelt Knötz over een aanvaring die hij heeft gehad met een man die zijn vrouw had geprobeerd te verleiden. Op Knötz verzoek had Maartje de man thuis uitgenodigd, waar Knötz hem had afgetuigd.

Ook over de aanleiding voor de moord op De Wolff geeft Knötz eindelijk openheid van zaken. De Wolff had, in aanwezigheid van Maartjes broer, tegen Knötz gezegd: “Ik mag immers wel bij Uwe vrouw komen, al zijt gij niet te huis.” Maartje bevestigt dat De Wolff vaker avances had gemaakt, maar voegt daar aan toe dat de huurbaas haar seksueel toen al een tijdje ‘verveelde’. Om die reden had ze met haar man plannen gemaakt De Wolff om te brengen.

Op 20 juni 1803 verschijnt het Katwijkse moordkoppel voor het laatst samen voor de rechter. Jan Knötz geeft toe dat hij zijn vrouw op veel punten vals heeft beschuldigd. Niet zij, maar hij heeft de handelsreiziger gedood. Ook het laten verdwijnen van het lijk deed hij zonder haar hulp. Wel had zij hem aangezet tot de moorden. Maartje bevestigt deze lezing. Samen verklaren ze door armoede tot hun daden gedreven te zijn. Maartje voegt daar nog aan toe dat ze een half jaar zwanger is.

De rechtbank rest niets anders dan mee te gaan in de eis van de baljuw. Jan Knötz zal anderhalve week later, op 1 juli, door radbraken ter dood worden gebracht. Na het voorlezen van het vonnis volgen de voor die tijd in de rechtspraak gebruikelijke gebeden.

En Maartje? Alhoewel ze de moorden niet zelf heeft gepleegd, vindt de baljuw haar aanstichtingen ernstig genoeg om dood door openbare verwurging tegen de zwangere moeder van vier kinderen te eisen. De rechtbank gaat daar niet in mee. Ze mag in een tuchthuis de bevalling afwachten. Het dochtertje wordt aan een pleeggezin toevertrouwd, waarna Maartje Haasbroek publiekelijk wordt gegeseld, gebrandmerkt en voor de duur van vijftig jaar het tuchthuis in verdwijnt. Of ze die halve eeuw heeft uitgezeten, vertelt de geschiedenis niet. Net zo min als wat er is geworden van het meisje dat werd geboren uit dit moordkoppel.

Klik hier voor meer oude verhalen over Katwijk.

Kaalhalen: gruwelijk 19e-eeuws kinderspel

Oud KatwijkApril 1915 in Katwijk aan Zee. Het is een koele lenteavond en de zon staat op het punt aan de horizon te verdwijnen. De veertienjarige Janneke haast zich door de smalle steegjes richting huis. Ze is met een vriendin op het strand geweest en was de tijd vergeten. Toen de klok van de oude kerk het hele uur sloeg, was ze zich rot geschrokken. Ze moet voor donker thuis zijn, anders zwaait er wat. Haar vader is net terug van zee, maar dat hij zijn gezin zeven weken niet heeft gezien, weerhoudt hem er niet van de kinderen met harde hand in het gareel te houden.

Nog geen minuut later valt Janneke’s angst voor haar vader in het niet. Ze gaat de hoek om achter de nieuwe kerk en staat oog in oog met Cor, een opgeschoten joch uit het dorp. Hij heeft vier vrienden bij zich en nog voor Janneke ze heeft herkend, grijpt Cor haar bij haar kraag en trekt haar gezicht vlak bij het zijne. Zijn zure adem is weerzinwekkend, maar dat is niet waarom haar hart een paar slagen mist. Volgens de geruchten trekken Cor en zijn maten er ‘s avonds regelmatig op uit om te kaalhalen. Wat Janneke al lang vreesde, staat nu te gebeuren.



Ze opent haar mond om te gillen, maar Cor is sneller, drukt zijn vrije hand tegen haar gezicht en smoort haar angstkreet. Meteen daarna voelt ze meerdere handen tegelijk onder haar jurk schieten en haar onderbroek omlaag trekken. Ze schopt en spartelt uit alle macht, maar is volstrekt kansloos tegen vijf sterke kerels. Huilend moet ze toelaten hoe vuile, eeltige vingers haar betasten en bij haar binnendringen.

Volgens onze maatstaven is dit een gruwelijke groepsverkrachting, maar we zijn getuigen van een potje oud-Katwijks kaalhalen, een ‘spelletje’ dat volgens schrijver Joop Burgerhout in die tijd vrij populair was onder groepen jongens in het vissersdorp. In zijn boek ‘De Gekkenlogger of De Heiliging van Arie Vlieland’ probeert hij een drama aan boord van een vissersboot te verklaren vanuit een aantal redenen, waarvan de door de streng gereformeerde, endogame en besloten samenleving veroorzaakte seksuele frustratie en een is. Een dergelijke sfeer heerste in de negentiende en begin twintigste eeuw in talloze dorpen, dus mogen we aannemen dat het kaalhalen, al dan niet onder die naam, wijder verspreid was dan Katwijk alleen.

Burgerhout schrijft letterlijk: ‘Het is de broek van een meisje uittrekken en haar betasten en/of voorwerpen in de vagina stoppen. Dat een meisje dit niet plezierig vond en hiertegen protesteerde, werd niet als zodanig herkend door haar belagers. Hoe harder ze schreeuwt, des te lekkerder ze het vindt, dachten zij.’

Nergens is in de literatuur wat te vinden over kaalhalen, schrijft Burgerhout. Hij baseert zijn beschrijving op ‘tientallen zegslieden’, die hem op dit ‘spel’ hebben gewezen.

Who is prisoner GN0098?

During my research for an article on a murder in 1867, I incidentally come across a huge archive containing almost 2,000 mugshots of inmates of the Friesian prison around 1900. When I browse through the old pictures, one after the other long gone prisoner is looking me in the eyes. Often brutal, sometimes with a friendly smile. Some wear names and dates, but most nothing but a number.

Suddenly, prisoner GN0098 appears on my screen. Her picture is lacking name and date. All I can find out is that she was doing time in the women’s prison of Appingedam in Friesland, The Netherlands. Why? What has this young woman, almost a child, done to deserve spending her days between cold prison walls? Has she ever been released and what became of her?



We will probably never know. History swallowed GN0098 without leaving us her name. Neither will we ever know what she was thinking about when she looked into the camera with her dreamy eyes. But that a century later she would look through many computerscreens into the eyes of so many people that were not even born the day she will die, is something she would surely never have believed.

The return of a dead baron

In September 1876, a noble man in The Netherlands blows out his mind. Subsequently, his body disappears and the secret of its wherabouts becomes the local myth in the village of Kessel. In Juni 2015, a gardener accidentally finds a mysterious coffin. Is this the lost baron and what made him disappear?

It is the year 1876 in Kessel, a tiny, idyllic village on a rivershore in the south east Netherlands. Bypassing skippers recognise the town from the recently completed neogothical church and the bold, medieval castle, that seem in peaceful coexistence. But reality is quite different. The lord of the castle and the priest are in a conflict that eventually will lead to a mystery that will be told from generation to generation during the upcoming 150 years.

On Wednesday September 27th, baron Frederick Henry Charles of Keverberg is near death in his house Villa Oeverberg, a few hundred feet upstream of his castle. After only 51 years, illness and alcohol are about to end his turbulent, miserable life. In his last will, written a few days ago, it says that Baron Frits, as villagers tend to call him, blames his mother, brother and daughter for his decay, because they all turned their back on him. As a result of a dispute with the priest he has stated that he shall not be buried according to catholic rituals. Instead, he offers his body for scienific purposes to the University of Leiden, where he once studied. However, the university kindly rejects and the baron never makes it to the cemetery. What does happen to his remains, no-one knows. The body seems to have vanished in the air, those last days of September 1876.

Who was Baron Frits and what turned him into the lonely, bitter man whose body disappeared during  the mid-nineteenth century? Frederick Henry was born July 22th 1825  in Stonor, England, as the second child of the british Mary Lodge and the dutch baron Charles Louis of Keverberg. The father was a political hotshot. He had served under Napoleon during the french occupation and turned to King William 1 after the French were expelled. He died in 1841 and his family moved to Castle Keverberg in Kessel. At that time, Frits was a law student in Leiden and already had his first disputes with the Van Wylick-family, a powerful dynasty that Frits accused of stealing his property. Despite these fights, Frits became town councellor in 1851. Shortly after that, his mother and siblings left Keverberg to move to another castle, Aldenghoor in the nearby village of Haelen. Frits was alone in his castle, but not for long.

1857 he married Louise Villers de Pité, who gave birth to their daughter Mary Mathile a few years later. But the joy of a child could not consolidate the marriage. It was widely known that the castle was the scene to many terrible fights between the couple, eventually resulting in Louise fleading. When little Mary Mathilde was seven years old, she was taken away by her grandmother to never be brought back. The child spend her youth in several boarding schools. She even lived a while under a false name in Duesseldorf, Germany, to keep her hidden from her father. In 1859 Baron Frits lost his position in the town council, but he was not ready to let that happen. The next meeting, half past nine in the morning, he entered the room, obviously drunk, only to insult his successor. During a game of cards with some high placed friends in The Hague, Frits got an argument with a Prussian prince. Only diplomatic intervention could restrain them from a duel with pistols.



In 1869 it was priest Simons’ turn to become subject to baron Frits’ rage. Simons had the old church torn down and replaced by a new and bigger house of God. The old building had stood partly on the castle’s ground and tradition had it that this part was therefore exclusively for the habitants of the castle. This was not the case with the new church and thus the priest considered the tradition to be outdated. For compensation, Simons offered the baron the first row in church, but Frits did not accept that. He attended the first masses outside, on the exact spot where his old, private bench had been.

The priest critisized his default of catholic obligation, but baron Frits replied that he was very capable of getting to peace with God by himself. He never attended a mass again and his separation with the catholic church was definate. This was the reason why Frits did not want to be buried according to catholic tradition and therefore the cause of the mysterious disappearance of his dead body.

Was he buried in the gardens of his house Villa Oeverberg? The castle’s gardens? The family tomb in Haelen? The latter was not very likely, since Frits had disputes with his relatives as well. It is said that on his deathbed he had a loaded revolver standby, just in case his mother and siblings would come to say farewell. True or not, it is a fact that in his last will it can be read that he left serious sums of money to his maid and his servant, under the condition they would succeed to keep his relatives out.

Thus, a myth was born and told from father to son to grandson. Albeid it was not really all that mysterious. The dutch writer and historian Jacobus Craandijk visited the castle in 1880 and wrote about an overgrown grave in a corner of the yard, that was said to contain the castle’s last noble inhabitant. Although that assertion could not stop the myth, it does help a lot when over a century later, June 25th 2015, workers find a lead coffin in the castle’s garden.

A month later the coffin is opened by forensic antropologue Birgit Berk. She scrutinises the remains to conclude that they belonged to a 44 to 53 year old male, 175 to 179 centimeters tall. That suits with the few things we know about baron Frits. Stains on the inside of the ribs witness of a heavy case of pneumonia, perhaps tuberculosis, which could very well be the disease that killed the baron back in 1876. The lead coffin and hardly worn (i.e. little physical labor) joints make it likely this was a wealthy man.

Alltogether it is almost sure that the lost body of baron Frits is back, almost 139 years afte rit vanished. Still, we will probably never be hundred percent sure. That would need a DNA-match, but who to match with? His daughter Mary Mathilde became a nun and was buried in the convent’s cemetery, which was emptied in 1976, with all the bones thrown in a mass grave. Only Frits’ sister Elfrida’s remains can be found in a markes grave in the city of Roermond. Should she be exhumed? Perhaps it is better to spare what’s left of the mystery.

This article was published November 2015 in Quest Historie

Wie is gevangene GN0098?

Tijdens research voor een verhaal over de roofmoord op het echtpaar Hiddema in 1867 stuit ik op een enorm archief met een kleine tweeduizend mugshots van het Friese gevangeniswezen eind 19e, begin 20e eeuw. Ik blader door de foto’s, de ene na de andere lang geleden overleden boeventronie staart me aan. Meestal grimmig, soms vriendelijk glimlachend. Sommige foto’s zijn voorzien van een naam en datum, maar de meeste moeten genoegen nemen met een nummer.
Plotseling vGN0098Appingedamerschijnt GN0098 op mijn beeldscherm. Datum en naam ontbreken ook hier. Het enige wat bekend is, is dat ze in de vrouwengevangenis Appingedam haar straf uitzat. Waarvoor? Wat heeft deze jonge vrouw, een kind bijna nog, misdaan om haar dagen tussen de grauwe gevangenismuren te moeten slijten? Is ze er ooit nog uit gekomen en wat is er van haar geworden?
We zullen het waarschijnlijk nooit weten. GN0098 verdwijnt zonder naam in de geschiedenis. Waar ze met haar bijna serene blik aan dacht terwijl deze foto werd genomen, zullen we evenmin ooit weten. Maar dat GN0098 ruim een eeuw later nog door menig computerscherm zal turen, had zij dan weer nooit kunnen bevroeden.